Afdeling Denderleeuw

Nieuwsbrief 

Reisverslag Boottocht Henry Dunant (1)

 

Maandag 23.10.06.

 

Ons plaatselijk team van SH doet het naar behoren. We zijn maar met 7 en als je de leeftijden optelt ruikt het naar 500 jaar. Vernieuwing is noodzakelijk. Toch zit er actie en vooral vriendschap in de groep.

Andre, die samen met Lisette, verwoed de kaderopleiding volgt in Mechelen, heeft iets gehoord over een mogelijk verblijf van een week op een boot ( J.Henry Dunant) en of in een hotel (Ysselvliedt).

“Zouden we daaraan deelnemen?”

“Waarom niet ?”

Alles ligt nog zo ver in het verschiet en de kansen dat wij tot de schare van de uitverkorenen behoren, lijken mij te vergelijken met die van de Lotto. Wie niet waagt blijft maagd en meteen wordt het inschrijvingsformulier ingevuld.

 

Bij het doornemen van de verschillende taken, besluiten we dat “ zorg “ voorbestemd is voor daartoe opgeleide personen. Blijft dus over: restaurant en afwaskeuken. Daar voelen wij ons in ons sas, gespecialiseerd door dagelijkse routine.

 

Ik ben die historie al bijna vergeten tot ik telefoon krijg dat ik de baan heb als afwasser op de boot en dat ik als reserveafwasser in het hotel weerhouden ben. Ik heb nooit gedacht dat ik zo een kei was in het solliciteren.

 

Thuis ontstaat er grote hilariteit als blijkt dat ik voor de taak van afwasser twee dagen opleiding nodig heb. Achteraf echter gaat het om een snelcursus verzorging en verpleegkunde. We nemen er met voldoening aan deel en studeren af. Bed en rolstoel hebben sindsdien geen geheimen meer voor ons…

Op een van die opleidingsmomenten verzilvert Lisette een plaats in de ‘omloop’, wat dat ook betekenen mag. Haar dreigende echtelijke scheiding voor een week met Andre is daardoor van de baan.

Die maandagmorgen moeten we de trein halen van 7u13. Voor mij een onmogelijk uur, niet alleen omdat het zo vroeg is, maar ook omdat het in volle spits van de pendeltreinen is. Haast dagelijks kom ik in het station. Ik maak nogal eens gebruik van de tunnel die onder de sporen doorloopt en zo twee delen van de gemeente met elkaar verbindt. Overdag is die zo goed als leeg, een paar voetgangers, een paar fietsers, die ‘verboden te fietsen’ aan hun laars lappen, niet te na gesproken.

 

Nu is het hier een vreemde wereld voor mij. In groepjes staan de reizigers in de buurt van de trappen die naar de perrons leiden. Ze staan er, hangend, dromend nog slapend. Praten is een zeldzaamheid. De slaap, de stress van de drukke ochtend en de werkomstandigheden straks op het werk bepalen hun houding. Hier en daar staat iemand de krant te lezen. Zij zijn de enigen die de drukte van de ochtend verwerkt hebben. De rest duwt die nog voor zich uit.

 

Als er nieuwe treinen het station binnen rijden rollen de reizigers als een zak uitgegoten knikkers naar beneden. Geen enkele regelmaat is te bekennen. Sommigen lopen en veroorzaken gemakkelijk te vermijden botsingen. Anderen slenteren of blijven gewoon staan. Ik voel me hier vreemd op dit uur maar word door het schouwspel geboeid. Onze trein komt eraan en van stilstaan gaan wij over in een spurt, scheefgetrokken door de bagage die haastig en onwennig wordt mee gegrabbeld. De vraag is maar of de volle trein die nu stopt, nog een extra volle trein aan passagiers kan verwerken. Dat lukt. Zitten is wel uitgesloten. De zakken en pakken zorgen ervoor dat rechtstaan een heus wonder van de natuur mag genoemd worden. 

                                                                                                                                                   1.

We zijn op de boot geraakt. Het wordt ons tehuis voor een week. We slapen in de onderste verdieping. Als ik door het raampje naar buiten kijk komt het water tot op borsthoogte. Ik kijk boven de waterspiegel. Het passerende rimpelende water waggelt en duikt in grillige bewegingen door elkaar zoals tal van inwerkende krachten dat eisen. Het water is zo breed dat zelfs de aantrekking van de maan en vooral het passerend drukke bootverkeer en de wind stevig in het potje roeren. De kajuit is duidelijk gemaakt om er te slapen. Er staan twee bedden. Een paar kasten moeten de rommel verbergen. Meer ruimte is er niet. Ik deel de kajuit met Theo die bij ‘de zorg ’ werd ondergebracht. Het klikt meteen tussen ons.

 

De verdieping erboven huisvest de gasten en de bemanning. Daarboven is het onthaal dat zelf tussen het restaurant en de ontspanningsruimte (salon, bar) ligt. Hogerop heb je het dek dat in de zomermaanden de uitgelezen verblijfplaats moet zijn.

 

Fien, Louis, en Magda zijn mijn medespelers. Hiërarchisch gezien, moet ik eerst Fien vermelden, de rest zijn nieuwkomers. Mia, de ‘kombuishulp’ zwoegt dicht bij ons territorium. Wij moeten er blijkbaar voor zorgen dat de borden, glazen, tassen en bestek steeds droog en proper zijn en zodanig gesorteerd zijn dat de restaurantploeg onmiddellijk in actie kan schieten bij de minste vingerknip van de ploegleider.

 

We krijgen onze eerste maaltijd. Het lijkt een gift uit de hemel waar we in alle onschuld van genieten…tot het onze beurt is om op te treden.

 

Het is een overrompeling van jewelste! Potten, pannen, glazen, borden, bestek, het blijft maar komen. De voorziene ruimte is er veel klein om die overvloed op te vangen. Alles wordt in wankelende, scheve torentje in de meest chaotische wanorde door een opgejaagde afruimploeg op de tafel gezet, kwestie van er vanaf te zijn. Borden en potten zijn soms nog half vol. Het lijkt wel alsof de eters in paniek op de vlucht zijn geslagen.

Er is duidelijk maar één mogelijke oplossing om niet zelf onder deze lawine bedolven te worden. Louis bedient de afwasautomaat en duwt er, bak na bak, de vaat in. Iemand rammelt met veel kabaal het achtergebleven voedsel in daartoe voorbestemde bakken. “Dat is voor de varkens “ merkt iemand op. Ik vraag mij af waar die zitten. De vaat wordt meteen gesorteerd voor zoveel de ruimte dit toelaat. De niet eetbare afval komt in een vuilzak terecht. Het behoort ook tot mijn taak om die zakken te vervangen als ze vol zijn, idem met de bakken. Ik mag dat alles buiten naar het achterdek brengen.

 

Met twee staan we aan de andere kant van de automaat. Genadeloos braakt de machine zuchtend, dampend en zwetend met veel kabaal lading na lading in korte stootjes naar buiten. Afdrogen, wegzetten, het houdt maar niet op uren aan een stuk door.                                

 

We zijn half in paniek en dat maakt het sorteren er niet gemakkelijker op. Er is geen plaats genoeg om al die soorten bestek, glazen, en borden ordentelijk op te bergen. Er wordt gewreven en gesprongen zoals alleen vrijwilligers dat doen.                                     

 

Uiteindelijk hebben we de klus geklaard en zijn er zelf verbaasd over. We zijn er behoorlijk moe van. Gedurende heel die tijd hebben we niemand meer gezien of gehoord. Misschien zijn de gasten al aangekomen. Misschien komt er een mogelijke nieuwe aanval op de afwasploeg… en die komt er. Iedere bewoner van de boot is op post. Niemand lijkt ons  vergeten te zijn. Echte werkproducenten zijn het.

De kleine afwasruimte ziet het er uit als een slagveld vlak na een bombardement. Niet te overzien, niet om aan te beginnen! Vluchten kan niet meer, het is pompen of verzuipen. Wij wassen af ! Na een uur is nog altijd geen vordering te merken. Wij roeien met de riemen die we hebben, kijken niet meer op. Mia de kombuishulp, de goede ziel, snelt ter hulp. Nooit was iemand zo welkom. Het is een ongelijke strijd.

                                                                                                                                                    2.

Tot half negen vechten we voor de laatste lading uit de machine wordt gestoten. De afwasruimte wordt nog geschrobd, en de machine krijgt ook een beurt, als dank voor bewezen diensten. Alleen Magda is nog als enige in staat om haar praatje te doen.

We zijn zelfs een tikkeltje fier dat we het toch klaar gespeeld hebben en krijgen achting voor elkaar. We hebben al begrepen dat we totaal afhankelijk van elkaar zijn. Van syndicale zijde hoeven we geen soelaas te verwachten. Wie zei er ook weer dat men eerst moet uitgedaagd worden alvorens er echte vriendschap kan ontstaan?

 

Ik begeef mij naar de bar en maak kennis met de gasten die daar blijkbaar al een hele tijd vertoeven. Ik praat met hen voor zover dat mogelijk is. Het contact met sommigen is niet evident en ik slaag er ook niet in. Ik zie de moed die ze uitstralen, vertrekkend van de aanvaarding van hun handicap. Wat is een mens toch begaafd om in alle omstandigheden gelukkig te kunnen zijn. Niemand is zo arm of hij heeft iets in overvloed te bieden. Ik kijk uit naar mensen die alleen zijn. Ik vind er geen. De vrijwilligers van ‘de zorg’ doen hun taak voorbeeldig. Mijn moeheid van de afwas draag ik graag aan hen op. Wat wens ik hen een mooi verlof toe ! Om 23 uur ga ik slapen.

  

 

 

Ga verder naar deel 2