Goesjdiejel astablieft

We beleven tijden waarin er nogal wat tradities sneuvelen. De dagen lijken geteld dat kinderen in de morgen van 31 december ‘goesjdiejel’ gingen roepen. Als knaap, die toch deelnam aan het plezierige evenement, wist ik niet eens wat ‘goesjdiejel’ betekende. Ik weet nu dat het een dialectische verbastering is van ‘Gods deel’. Maar daarmee is voor mij, anno 2006 haast, de kous niet af want het begrip, en het hele kluwen aan oorsprong, achtergronden en betekenis dat erdoor wordt opgeroepen, intrigeren me, zeker nadat ik, lichtelijk verrast, tot de bevinding kwam dat het in geen enkel woordenboek te bespeuren valt. ‘Godsdeel’, aaneengeschreven dus, moet als woord toch hebben bestaan ?  Het is zelfs een – het weze toegegeven : zeldzame – familienaam. Mijn zoektocht bracht me op het spoor van ene Ludo Godsdeel, een fervente duivenmelker uit Hoeilaart. ( Ik vraag me nu op dit eigenste moment af of er ooit kinderen ‘Gods deel’ zijn gaan roepen bij meneer Godsdeel). En wie op de internetsite ‘godsdeel’ intikt zal, raar maar waar, kunnen lezen dat ‘jofonck’ – bij mijn weten toch niet ons gemeenteraadslid - de leden van de jeugdfanfare oproept om ‘godsdeel’ te vragen. In één van de talloze varianten van het bedellied Geeft wat om de rommelpot eindigt elke strofe met ‘Vrouwtje, geeft het godsdeel’.

Maar nogmaals : voor Van Dale en co heeft het woord niet eens bestaan of is het een stille dood gestorven. Het werd,om Carlos Ruiz Zafon, de auteur van de bestseller De schaduw van de wind even te parafraseren, bijgezet op het kerkhof van de vergeten begrippen.

Het gebruik zelf, dat kinderen er in de morgen van de laatste kalenderdag van het jaar op uit trokken om wat centen, snoep of fruit bijeen te sprokkelen was vrij algemeen verspreid en niet aan één streek gebonden. Pater Bert Graus, gewezen magister-generaal van de Kruisheren en nog een tijdje inwoner van Denderleeuw geweest, wist me te mailen dat in zijn kerkdorp Geistingen (bij Maaseik) de meisjes en jongens van de lagere school op de bewuste dag ’s morgens samentroepten aan de pastorie om te gaan ‘grabbelen’. De boeren, veelal de boerinnen, gooiden vruchten van de boomgaard (appelen, noten, hazelnoten) te grabbel nadat de kinderen hadden gezongen : 

Wij komen aangelopen
Wij zien het zeer roken
Wij weten wat gebakken is
Vrouw geeft, dat je lang leeft
Dat je rijk en zalig wordt.

Pater Graus voegt er aan toe dat kinderen van gegoede afkomst niet meededen,’ hetgeen  veelzeggend was’ en dat de zusters van de lagere school, meestal herkomstig uit Gent en omstreken, dergelijke gebruiken als degenererend bestempelden. Ik herinner me dat ook in Denderleeuw de welpen uit betere kringen de ‘godsdeelpraktijk’ schuwden. Het gebruik werd, zeker niet ten onrechte, met behoeftigheid en bedelen geassocieerd.

Het recht van de arme om ‘Gods deel’ te gaan vragen en de plicht van de vermogende om het te geven hebben stevige wortels die niet alleen nieuwtestamentisch van aard zijn maar die tot ver in de voorchristelijke tijd reiken. De Israëlieten waren ervan doordrongen dat in wezen de gehele opbrengst van de grond, ‘van wat op het veld is gezaaid en van de vruchten der bomen’,  uitsluitend aan Jahweh, de Schepper van alle goeds,  toebehoort. (Leviticus  27,30)

Vandaar het gebod om jaarlijks een tiende van de oogst voor Jahweh af te zonderen. Om de drie jaar moesten zelfs alle tienden worden verdeeld onder de levieten (die geen eigendom hadden), de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, m.a.w. onder de armen. (Deuteronomium 14,22-29  en 26,12-15)  Het deel dat aan God toebehoort is het deel waarop de arme aanspraak kan maken.

Eigenlijk zijn de tienden een oude vorm van belasting. In de Merovingische tijd (7°-8° eeuw) voerde de Kerk de tiendplicht in, in de eerste plaats ten bate van de geestelijken en het onderhoud van de kerken, maar ook de armen werden niet vergeten. In een historiek van de parochie Beselare (West-Vlaanderen) lezen we : ‘De eerste bedienaars of priesters van de parochie moesten leven van de offeranden van de missen en vooral van de zogenaamde ‘tienden’…Die opbrengsten werden in 3 delen gesplitst : een derde voor het onderhoud van de pastoor, een derde voor het onderhoud van de kerk en nog een derde voor de ‘armendis’.

De ‘armendis’ of ‘tafel der armen’ werd tijdens de 13° eeuw in het leven geroepen en was een burgerlijke instelling die echter gebaseerd was op de parochie als kerkelijke instelling. Gezien de hechte verwevenheid en samenwerking van wereldlijke en kerkelijke overheid hoeft het ons niet te verwonderen dat de armen- en ziekenzorg in de eerste plaats een parochiale aangelegenheid was. Uit akten (13° eeuw) blijkt dat bijv. in  Baardegem de pastoor de twee ‘armmeesters’ aanstelt voor 2 jaar. Ook hier wordt de armendis gespijsd door ‘opbrengsten van tienden, onroerende goederen, renten in natura en geld, van brood en graanbedelingen ter gelegenheid van gefundeerde jaargetijden.’

Hoe dan ook, de armen konden delen in een (tiende) deel van de bezittingen en opbrengsten dat, via het onderhoud van geestelijkheid en kerken, eigenlijk toekwam aan God.

De winter is een harde noot om kraken als men behoeftig is. In die winter vieren we de komst van een nieuw jaar en dat  is traditioneel een aangelegenheid om te feesten en geschenken uit te wisselen. Dompelaars en bedelaars wisten dat ze in die periode een  beroep mochten doen op de barmhartigheid en vrijgevigheid van de gegoeden. ‘Wie zich over de arme ontfermt, leent aan de Heer ; Hij zal hen zijn weldaad vergelden’, zegt Spreuken 19,17. De kinderen uit Geistingen drukten het iets anders uit met hun ‘Vrouw geeft, dat je lang leeft, dat je rijk en zalig wordt.’  Wij, die als snotneuzen ‘godsdeel’ gingen roepen, wisten niets van tienden en armendis … en toch gedroegen wij ons als erfgenamen van een eeuwenoud recht van de arme.

H.J.