De geschiedenis van de zusters franciscanessen in Denderleeuw


Bijna anderhalve eeuw ! (1)

De geschiedenis van de zusters franciscanessen van Gent begint als op 19 juni 1652 in de gelijknamige stad in het gezin van Jan Crombeen een meisje wordt geboren dat de namen Joanna Theresia krijgt. Juffrouw Crombeens familie behoort tot de hogere burgerij. In 1705 - ze is dan al 53 jaar – koopt ze met haar vaders erfdeel een aantal kleine woningen in de St.-Pietersnieuwstraat. In de verkoopakte wordt ze omschreven als een ‘gheestelycke dochter’ : ze heeft besloten om haar leven aan God toe te wijden. Volgens E. Soens, die een ‘Historische Schets’ schreef van ‘het Crombeen’ behoorde ze tot de derde orde van de H. Franciscus. Wellicht strookt dat niet met de historische feiten. Wél blijft juffrouw Crombeen ongehuwd en slaagt ze er in om  5 andere jonge vrouwen van haar idealen en ideeën te overtuigen. Dat zal een klein begin zijn van wat later een grootse onderneming wordt. Op 15 augustus 1715 legt ze in haar omgebouwde woningen de basis van haar ‘stichting’ die ze onder de bescherming stelt van O.L.Vrouw, van sint  Jozef, de H.Michaël en de H.Theresia. Nergens is er sprake van Franciscus. Dat belet niet – en wellicht is dat voor de latere naamgeving van haar 19°-eeuwse volgelingen van doorslaggevend belang geweest- dat de Regel of ‘Manier van Leven’ die ze schreef qua spiritualiteit door en door franciscaans kan worden genoemd. De leden van haar gemeenschap leggen geen eeuwige, plechtige kloostergeloften af maar beloven wel om de regel te gehoorzamen en om kuis en arm te leven. Vooral aan de armoede wordt veel belang gehecht. De vasten bijv. duurde haast het hele jaar : ‘Drij keeren ter weke sullen sij inden vasten tsavonds droogh broodt eten…De cleedinghe sal eenvaudigh sijn…Den huysraet moet eenvaudigh sijn.’

Hét doel van haar stichting is om aan arme volkskinderen onderwijs te verschaffen in haar zgn. ‘armenscholen’ want – ik transponeer haar woorden naar hedendaags Nederlands- ‘de armoede in deze moeilijke tijd maakt het voor ouders en bloedverwanten onmogelijk om hun kinderen naar school te sturen om te leren lezen, schrijven en enig eerlijk handwerk aan te leren waarmee ze later de kost kunnen verdienen.’ In haar woning start ze met een kostschool voor meisjes uit arme milieus. Het verblijf in het internaat avant la lettre is volledig kosteloos. Het is niet zo evident dat de ‘stichting’ van juffrouw Crombeen, na het charisma van de stichtster en het enthousiasme van de eerste generaties volgelingen, is blijven bestaan en het rabiate anticlericalisme van Jozef II van Oostenrijk  en de Franse Revolutie heeft weten te overleven.

Pas op 21 juli 1831, de dag ook dat Leopold I de eed aflegt op de Belgische Grondwet en daarmee tevens de datum van onze nationale feestdag vastpint, zullen de toenmalige ‘gheestelycke dochters’ van juffrouw Crombeen de ‘echte’, plechtige kloostergeloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede afleggen en een diocesane (bisschoppelijke) congregatie van religieuzen worden. De zusters worden onder bescherming van St. Vincentius a Paulo geplaatst en die naam ( zusters van Vincentius a Paulo ) blijven ze dragen tot 1883. Dan  wordt de congregatie door mgr. Henricus Bracq omgedoopt tot de ‘Zusters Francicanersen van Gent ‘ en wordt Franciscus van Assisi de eerste patroon.

Vooral na 1840 stijgt het ledenaantal gevoelig. Dat stelt de congregatie in staat om in de loop van de jaren uit te zwermen, eerst over de eigen provincie, later naar Vlaams-Brabant en tegen het einde van de eeuw zelfs naar het missieland  Argentinië. De 2° stichting buiten Gent wordt Denderleeuw (Dorp). Ze is er gekomen, zoals dat haast altijd het geval was, op vraag van de plaatselijke pastoor, E.H. Vermeere, om  hier katholiek onderwijs te verstrekken. Van in het begin kwam er een kantschool tot stand naast twee klassen van de lagere school. Uiteraard moest er worden gebouwd en, gezien het succes van de ‘werkschool’, al vlug worden bijgebouwd. Vooral in tijden van hongersnood bleek de kantschool een sociale zegen te betekenen omdat de kinderen er, ook al lagen de lonen laag,  toch wat bijverdienden. ‘De bedelarij is alhier veel verminderd door de inrichting van de kantschool, alwaer dadelijks 124 meiskes in het kantwerk geoefend worden’, schreef de gemeentelijke overheid. (In 1850 telt klein-Denderleeuw 2006 inwoners.) In 1874 werd een door de staat erkende ‘bewaarschool’ (kleuterschool) opgericht. In 1886 komt dan, als vervanging van de ter ziele gegane kantschool, een school tot stand waar men ‘keurslijven’ voor het huis du Toict uit Brussel vervaardigt.  In de Denderleeuwse volksmond  wordt die beter bekend als de ‘korsetschool’.

Eind 19de  eeuw zijn er 5 klassen in het lager onderwijs en 2 klassen voor de kleuters. De Denderleeuwse bevolking  groeit bij de eeuwwisseling spectaculair aan – in 5 jaar tijd van 3168 naar 3541 – en dat heeft zo zijn gevolgen, vooral voor de wijk rond het station, Leeuwbrug genaamd… 

H.J


Ga verder naar deel 2