De stem uit Bethlehem

( Dit is één van de bindteksten, geschreven voor het kerstconcert

van ‘De Dendergalm’ op 19 december 2009)


Dat Jezus geboren is op
25 december van het jaar nul
is lichtelijk flauwe kul.
Historici ontkennen met klem
dat Hij het levenslicht zag in Bethlehem.
Ook het verhaal over een ezel, os en stal
raakt kant noch wal.
Dat herders en wijzen het kind
eer kwamen bewijzen en aanbidden
laten de exegeten in het midden.
We weten evenmin met zekerheid
of hij op zijn twaalfde in de synagoge
-over de Schriften gebogen-
verwoed zat te discussiëren
met grijze schriftgeleerden.

Het staat wél vast
dat hij kon vertellen als geen ander.
Het volk hing aan zijn lippen
want aan zijn parabels kon niemand tippen.
Hij sprak op gezagvolle toon
over een vader en zijn verloren zoon
over een barmhartige Samaritaan
en over armen die in Gods gratie staan.
Hij liet zich overal en altijd vinden
door bezetenen, doven, blinden
en door een bovenaardse Kracht gedreven
schonk hij die sukkelaars een nieuw leven.

Kortom, hij was een man van goud,
of liever, hij was een man van God
of beter nog, hij was uit God.
Hij was een mens in wie Gods ontoegankelijke Licht
een naam kreeg en een gezicht.
Het heeft eigenlijk niet zoveel belang
of hij geboren is exact in het jaar nul
in Bethlehem.
Hij was Gods stem,
hij is Gods Woord dat wordt gehoord
nu, in deze eeuw
hier, in deze kerk van Denderleeuw.

 


Een woord uitleg …

Ik schrijf deze toelichting omdat ik me ervan bewust ben dat het eerste gedeelte van ‘De stem uit Bethlehem’ bij velen de wenkbrauwen deed/doet fronsen. Het is zeker niet mijn bedoeling geweest om de gelovigen te shockeren, om ketters gedachtegoed te verspreiden of geloofsfundamenten te ondergraven. De bevreemdende uitdrukking ‘lichtelijk flauwe kul’ staat er, ten dele omwille van het rijm (op het jaar nul ), maar vooral om de aandacht van het publiek te trekken en het te dwingen de oren te spitsen. Multatuli schreef dat hij gelezen wilde worden ; hier was het de opzet om gehoord te worden.


1) De evangelisten hebben nooit de intentie gekoesterd om een biografie van Jezus op papier te zetten. Alleen Matteüs en Lucas hebben bijv. een kindheidsevangelie. Met hun verhalen over de geboorte van Jezus hebben ze duidelijk willen maken ‘dat het kind al vanaf het allereerste begin van zijn bestaan tot grote dingen was voorbestemd…Maar die verhalen waren helemaal niet bedoeld om de feiten weer te geven. Hun doel was aan te tonen dat Jezus’ komst in de Hebreeuwse geschriften was voorspeld.’ (Karen Armstrong, De kwestie God, Amsterdam 2009, p.127) Matteüs zegt daarom tot 3x toe dat ‘zo in vervulling ging wat gezegd is door de profeten.’ (1,22; 2,3; 2,21) Om dezelfde reden begint hij zijn evangelie met een uitgebreide geslachtslijst, want ‘Jezus Christus is zoon van David, zoon van Abraham’ : in Hem zijn de profetische, Messiaanse beloften in vervulling gegaan. Matteüs laat het kind door magiërs uit het Oosten aanbidden, niet door herders ; bij Lucas is het net andersom. ‘Matteüs wilde heel graag aantonen dat Jezus niet alleen de christos was van de joden, maar ook die van de niet-joden. Daarom liet hij de Drie Wijzen uit het Oosten komen om Jezus in de kribbe te aanbidden. Lucas benadrukte echter altijd dat Jezus opkwam voor de armen en verdrukten, dus in zijn evangelie hoort een groep herders als eerste het ‘goede nieuws’ van zijn geboorte.’ (Armstrong, p.127) Beweren dat beide evangelisten ons doelbewust maar wat hebben voorgelogen is even onzinnig als de waarheid en de boodschap van fabels en parabels verwerpen omdat dieren nu eenmaal niet kunnen praten of omdat er nooit een Samaritaan is geweest die op de weg van Jeruzalem naar Jericho iemand echt heeft geholpen nadat die was overvallen door struikrovers. Wie de evangelies leest als verslaggeving van historische feiten leest ze vanuit een onjuiste invalshoek.


In dat verband wil ik toch nog één onverdachte bron citeren. In zijn monumentaal werk In de handen van mensen. 2000 jaar Christus in kunst en cultuur (Davidsfonds, Leuven 2000) schrijft prof.Peter Schmidt, hoogleraar bijbelexegese aan het Grootseminarie van Gent, dat ‘vanuit biografisch standpunt de volgelingen van Jezus nauwelijks geïnteresseerd waren in hem’. (p.28) Over Jezus’geboorte : ‘In feite werd Jezus van Nazaret -dat weten we met voldoende waarschijnlijkheid- een vier- à zestal jaren vóór de huidige tijdsrekening geboren. Wij weten niet precies wanneer, noch waar.’ (p.26) Over de kwestie ‘waar hij werd geboren’ lezen we in voetnoot 23 op p.255 : ‘Bovendien heeft de plaatsnaam Bethlehem een duidelijke symbolische betekenis. Bethlehem was immers de geboorteplaats van koning David en men kon er de geboorte van de Messias, de afstammeling van David, verwachten. Daarom zijn niet weinig historici de mening toegedaan dat de localisering van Jezus’ geboorte in Bethlehem het gevolg is van de belijdenis van Jezus als ‘Zoon van David’ terwijl hij historisch wellicht in Nazaret zal geboren zijn.’


2) In het tweede deel van de tekst grijp ik terug naar het eerste hoofdstuk van Marcus, het oudste en kortste evangelie. Met ‘de bovenaardse Kracht’ die Jezus drijft verwijs ik naar de Heilige Geest die over hem komt neergedaald bij zijn doop in de Jordaan. (1,10) Vanaf het prille begin van het openbare leven manifesteert Jezus zich in woord en daad als de Gezalfde Gods. ‘Ze (=de mensen) waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag.’(1,22) En even verder : ‘Hij genas vele zieken van allerlei kwalen.’(1,34) Over het gezag waarmee Jezus sprak, zegt prof.Schmidt in zijn aangehaald werk : ‘Het was het gezag van diegene die soeverein vanuit God spreekt. Dat heeft men gevoeld in zijn commentaren op de Wet, zijn twistgesprekken met de rabbi’s, zijn profetische woorden, en het meest wellicht in zijn beeldrijke parabels, die op een of andere wijze suggereerden waar het in het Rijk Gods eigenlijk om te doen was.’ (p.66) Over de historiciteit van de wonderen : ‘…van de duiveluitdrijvingen en de genezingen kan men niet betwijfelen dat zij een historische basis hebben…de verhalen verwijzen naar een reële herinnering, namelijk dat de ontmoeting met zieke en bezeten mensen genezing teweeggebracht heeft.’ (66)


3) Het laatste deel van ‘De stem uit Bethlehem’ is grotendeels geënt op de proloog van het Johannesevangelie. ‘Hij was uit God’ is een echo van Joh.1,13 en ‘Hij is Gods Woord’ is letterlijk weggeplukt : ‘ In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’ (1,1) De term ‘ontoegankelijk licht’ vinden we bij Paulus. In de eerste brief aan Timoteüs schrijft hij over God : ‘Hij alleen is onsterfelijk en hij woont in een ontoegankelijk licht, geen mens heeft hem ooit gezien of kan hem zien.’(6,16) In zijn proloog zegt Johannes : ‘Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.’ (1,13)


Ik sluit af met de bedenking dat het Woord hier en nu wordt gehoord. Kerstmis vieren is veel meer dan zich herinneren wat er twee millennia geleden in het Heilig Land is geschied. Jezus moet nu geboren worden in ons hart, in ons doen en laten. De 17°eeuwse Duitse mysticus Angelus Silezius verwoordde die gedachte als volgt :


Werd Christus duizendmaal in Bethlehem geboren
Maar niet in u, dan waart gij jammerlijk verloren.

Zalig Kerstmis!



H.J.