Den Orga brandt af : allen daarheen !!!

Op woensdag 14 oktober jl. hoorden we bij valavond, om even voor zeven om precies te zijn, de loeiende sirenes van gehaaste brandweerwagens. Sinds onze schoorsteenbranden van een paar jaar geleden snerpen die alarmbodes nog wat meer door merg en been dan ze gewoonlijk al doen. Een mens trekt voor een moment de voordeur open om de plaats van het onheil min of meer te lokaliseren. Die moet in de nabije buurt liggen : dikke rookwolken worden als zwarte bloemkolen de hemel in gespuwd. In een telefoontje meldt mijn schoonzuster de mare dat de doe-het-zelfzaak Orga in de vlammen opgaat. Het nieuws verspreidt zich  - met mijn excuses voor de beeldspraak- als een lopend vuurtje. Om de karikaturale brandmeester Koperbuik uit Kopstukken van Bomans te parafraseren gaat het dus niet om loos alarm maar betreft het een  ‘flinke, uitslaande brand met risisco’s voor de belendende percelen’ en, in casu, met gevaar voor het spoorverkeer op de lijn naar Geraardsbergen.

Ik moet om half acht op het dorp zijn voor een vergadering in De Vrede. Omdat de eerste najaarskou heeft toegeslagen en de vriezeman ons met een bezoekje wil vereren besluit ik, beducht voor bronchitis of longontsteking, om met de auto naar het kerkplein te tuffen, normaliter een ritje van een paar minuten. Ik stap in de wagen en wil om kwart over zeven onze doodlopende Burgemeester Rollierstraat uitrijden maar o wee, ik raak onze steeg niet uit want een paternoster personenwagens kruipt als een duizendpoot richting Koopwarenstraat. Toch een gaatje gevonden maar het vraagt me een kwartier om tot aan het kruispunt met de Veldstraat te geraken ; de steenweg Aalst-Ninove braakt, op dit anders vrij rustige verkeers-uur, onophoudelijk vierwielers uit die bumper aan bumper de weg volgen naar het inferno. Op de trottoirs reppen voetgangers én fietsers zich om toch maar niets te missen van het, dixit de boven geciteerde Bomans, ‘verrukkelijke schouwspel’.

Ik zal niet zo hypocriet zijn om te beweren dat ik volledig van de kaart was door ‘de trek uit sensatiezucht naar de plek waar de ramp had plaatsgevonden’ – want zo omschrijft Van Dale het begrip ‘rampentoerisme’- maar enig onbehagen voelde ik wél bij de massale vlucht naar de brandende Orga. Dat de wegen dichtgeslibt waren maakte het er niet gemakkelijker op voor  8 à 9 korpsen om hun plaats van bestemming te bereiken nadat ze via het zonale tankwagenalarm door de brandweer van Denderleeuw waren opgeroepen om te helpen blussen. Naar verluidt waren er zelfs onverlaten die hun wagens half op straat, half op het trottoir lieten staan om zich verder te haasten naar ‘het theater’. Stel je even voor dat er zich slachtoffers in een toestand hadden bevonden waarbij urgente hulp broodnodig was, dat het redden van levens een kwestie van enkele luttele minuten was geweest maar dat de ziekenwagens kostbare tijd hadden  verloren in de chaos die door het onverantwoorde gedrag van de ramptoeristen was veroorzaakt.

  

Wat bezielt  ons toch om af te zakken naar zee als daar een schip in de golven is verzwolgen, naar een station waar een paar treinen tegen elkaar zijn geknald, naar een bedrijf dat zo in lichterlaaie staat dat de rookpluim kilometers ver waarneembaar is ?  Heeft het iets te maken met een diepe, onbewuste ‘Destruktionstrieb’ ( vernietigingsdrang) die ons allen eigen is maar die wij,  zoals in dit geval, op een vrij onschuldige manier kunnen bevredigen ? Of is zo’n brand een buitenkansje dat we gretig grijpen, een mogelijkheid die we te baat nemen om even te vluchten uit de sleur van het alledaagse, een ticket voor gratis spektakel dat de volgende dagen gespreksonderwerp nummer 1 kan worden. Waarom staan wij ons te vergapen bij de miserie van een wenende, gebroken zaakvoerder die zijn levensdoel in rook ziet opgaan en die in de armen valt van werknemers die hun job hebben verloren ? Wat drijft er ons toe om die ontluistering te willen zien, om directe waarnemer en getuige te willen zijn van de ellende die weerlozen treft in het diepste van hun ziel ? Zijn wij op dat moment onbeschaamde voyeurs die stiekem genieten van dood en bederf ? Worden wij niet als hazen  onweerstaanbaar aangetrokken door de verblindende lichtbak van het sensationele ? Kicken  wij niet  op het verwoestende geweld van een vuurzee, de ravage van een orkaan, de vernietigende kracht van een overstroming ?

Welke onuitgesproken psychische mechanismen er in gang worden gezet om de massa in beweging te brengen bij calamiteiten weet ik niet maar rampentoerisme afdoen als een vrij onschuldige uiting van gewone, menselijke nieuwsgierigheid lijkt me al te makkelijk. Ik pas voor een simplistische verklaring omdat menselijk gedrag eerder het resultaat is van complexe motivering  dan een verzameling eenvoudige reacties op eenduidige prikkels. Rampentoerisme is voer voor dieptepsychologen.

H.J.