Ons lied is kort en broos …
(Felix Timmermans)

De bundel  Adagio van Felix Timmermans wordt, terecht overigens, vanwege zijn pertinente stilistische gebreken niet tot de poëzie met grote P gerekend.  Toch is hij me dierbaar omwille van zijn intimistische inslag en zijn, bij wijlen, mystieke toon. In Adagio is een man aan het woord die in zijn levensavond tot wijsheid is gerijpt en die, terugblikkend op zijn bestaan, met alle vezels van zijn lijf  wéét dat ‘ons lied hier kort en broos is’. De bundel ademt een sfeer van vallende blaren, van grijze nevels, van een waterzon die amper door de mist komt piepen. Dit is poëzie die maar tot haar volle recht komt in de herfst, als de zomerse vrolijkheid van de avondlijke terrasjes is weggeëbd en de dagen zienderogen krimpen.

In Adagio horen we een diepgelovig man aan het woord, een man die zich bewust is  van het feit dat het einde nadert maar die niet bang is van de dood want ‘met U zijn er geen verten meer en is alle angst voorbij.’ Timmermans is erop voorbereid om ‘uit de nauwe wanden des levens’ op te stijgen ‘naar de landen van Uw Belofte.’

In het bekende De kern van alle dingen dicht hij : ‘En donker zingt mijn bloed,/van heimwee zwaar doorwogen./ Ik zeil langs regenbogen / Gods stilte tegemoet.’  ‘God’ en ‘stilte’ zijn twee sleutelwoorden uit de bundel. Dat is geen toeval. Met de herfst is de tijd aangebroken ‘dat men naar binnen ziet’. En wie tot zichzelf inkeert, schuwt de decibels en zoekt de stilte op. Het is in die stilte dat Timmermans in zichzelf God aantreft. ‘ ‘k Zocht U altijd buiten mij,/ tot het leven mij verwondde,/ en ik U, o zaalge stonde,/ in mijzelve heb gevonden.’  De Geest waait waar Hij wil  eindigt met de verzen :’Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!/ En laat mij zwijgen en verlangen’. In een sonnet van 7 augustus 1946, een half jaar voor zijn dood geschreven, komen al die thema’s samen : 

Ik hou van nevel bij de val der blaadren;
het stemt tot weemoed om ik weet niet wat.
Verlangen en betreuren glimmen mat,
het hart zwijgt loom in ’t struikgewas der aadren.

Dit is de stilte die ’t geluk laat naadren,
het ver geluk, dat iets van God bevat,
maar telkens als een zeepbel openspat
bij al ’t gedruis, dat wij in ons vergaadren.

Ik denk niet dat Adagio  veel jonge mensen aan zal spreken. Thema’s als vergankelijkheid en dood zijn niet aan hen besteed. Het is maar met het klimmen der jaren, als men zijn eigen ouders ten grave heeft gedragen, dat de dood zich, zachtjes maar onomkeerbaar, nestelt in ons gedachtegoed. We kunnen proberen om Magere Hein naar de achtergrond te verdringen maar uiteindelijk zal elke poging om de dood te ontvluchten met een sisser aflopen. Socrates heeft het gelijk aan zijn kant als hij beweert : ‘Wie bang is voor de dood, heren, denkt dat hij wijs is, maar hij is het niet ; hij denkt immers dat hij iets weet, terwijl hij het helemaal niet weet. Niemand weet of de dood misschien niet het beste zal blijken te zijn wat de mens kan overkomen; en toch vrezen de mensen de dood alsof ze zeker weten dat het hier het ergste betreft wat er bestaat.’

Felix Timmermans toont ons aan dat wie zijn eindigheid probeert te aanvaarden daarom niet veroordeeld is tot pessimistisch gejeremieer. Het besef van de eigen vergankelijkheid verhindert ons niet om nog van het leven te genieten en om de schoonheid te zien waar die zich openbaart. De novemberdagen van de herfst bieden ons de kans om leven en dood met elkaar te verzoenen in het licht van de Eeuwige Gij. Luister nog even naar de man uit Lier… 

De Herfst blaast op den horen,
en ’t wierookt in het hout ;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over ’t woud,
met reeën, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozehout,
en sierlijk weer verdwijnen…
De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verdwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d’Eeuwigheid !
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten !
Een ganzendriehoek in de luchten.
Nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.  

H.J.