Quo vadis, OCMW ?

 

Op de cover van ons laatste Denderleeuwse infoblad prijkt de foto van het futuristisch ogend O.C.M.W.-gebouw. Het complex ziet er imposant uit maar schijn kan af en toe bedriegen… Hoe dan ook, de historiek van het gebouw onthult ons veel over de evolutie die de maatschappij gedurende de laatste 30 jaar op sociaal vlak heeft doorgemaakt.

Tot 1976 moest de Commissie voor Openbare Onderstand ( C.O.O.) de ergste noden opvangen. De drempelvrees was groot en het werd als een schande beschouwd om zich tot ‘den arme’ –want zo werd het C.O.O. in de volksmond gebrandmerkt- te wenden in armoede en bij tegenslag. Het klinkt nu haast ongelooflijk dat de C.O.O. tot in de 70-er jaren maar één halftijdse secretaris in dienst had en sporadisch een beroep deed op één maatschappelijk werkster die per behandeld dossier werd betaald. Was er toen veel minder sociale nood ? …

In 1976 werden de O.C.M.W.’s opgericht. Op 1 oktober 1977 nam men hier in Denderleeuw een voltijdse maatschappelijk werkster in dienst. Twee jaar later volgde de aanwerving van een 2° maatschappelijk werkster omdat er met een schoonmaakdienst werd gestart en de dienst voor onthaalouders in de steigers stond. 1979 is ook het jaar dat men op Ten Kouter begon met de bouw van een wijk met een 30-tal bejaardenwoningen. Het jonge O.C.M.W., dat krap en stiefmoederlijk in het wat groezelige Centraal Complex aan het station zat gehuisvest, zou in dezelfde wijk zijn tenten mogen opslaan in een nagelnieuw gebouw. Wat een luxe…want de secretaris en zijn 2 maatschappelijke werksters kregen elk een eigen bureau ! In hetzelfde gebouw was ook een vrij ruim ontspanningslokaal voorzien voor de bewoners van de nieuwe wijk. Tien jaar later is het stulpje al veel te klein : onder voorzitter W.Van den Stockt, wordt er uitgebouwd en komen er in één klap vier bureaus bij. Men dacht gehuisvest te zijn voor jàren maar al  tijdens de volgende legislatuur, onder het voorzitterschap van L.Renders, was men opnieuw verplicht om uit te breiden. Er werd toekomstgericht gedacht en op het bestaande complex werden een 2° en een 3° verdieping (die laatste als opslagruimte en archief) aangebracht.  Gezien de verdubbeling van de beschikbare ruimte dacht men voor jaren gebeiteld te zitten maar nu, nog geen 10 jaar later,  -ik weet; lezer, dat mijn verhaal eentonig is (Multatuli)- is er alweer ademnood en plaatsgebrek want het personeelsbestand moet opnieuw worden aangepast aan de stijgende vraag om steun.

Een O.C.M.W. moet, geheel in de lijn van wat de overheid in 1976 bij wet beoogde, veel meer doen dan financiële of materiële steun verlenen. Hier bij ons biedt het O.C.M.W. poetshulp aan, is er een dienst onthaalouders,  organiseert men karweihulp, bedeelt men warme maaltijden, is er juridische eerstelijnsbijstand en worden honderden kinderen opgevangen in de Buitenschoolse Kinderopvang. ( Op de voorwaarden waaraan men moet beantwoorden om een beroep te kunnen doen op deze diensten kan ik in het bestek van dit artikeltje niet ingaan.) Samen met hun administratieve ondersteuning zijn de bovengenoemde diensten goed voor een tewerkstelling van ongeveer 60 mensen.

Daarnaast is er de sociale sector die bemand en bevrouwd wordt door 8 maatschappelijke werk(st)ers : 4 ervan zijn voltijds actief. In de loop van 2008 komt er versterking met anderhalve betrekking.

Ik ben nu begonnen aan mijn 4° legislatuur in de O.C.M.W.-raad. In de loop van een kleine 20 jaar heb ik toch wel het een en ander zien veranderen. De gemeentelijke bijdrage – de som die de gemeente moet bijpassen om het budget van het O.C.M.W. in evenwicht te houden- is gestegen van ongeveer 500.000 naar 1.700.000 euro. De stijgende personeelskost en de steun aan vreemdelingen verklaren veel maar toch niet alles…Volgens rankings allerhande, die met de regelmaat van een klok in onze kranten verschijnen, staan wij geheid in de top-10 van de rijkste landen ter wereld. Ik vraag me soms af welke criteria men hanteert om zo’n lijsten op te maken. Rijkdom is een relatief begrip, net zoals armoede. Naar onze normen gemeten balanceert 7% van de bevolking op het slappe koord van de armoede en heeft 25%  van de Belgen het moeilijk om zijn schulden af te betalen. Veel gezinnen gaan tegen het einde van de maand in het rood en het water staat hen tot aan de lippen. Onverwachte tegenslagen zoals een ziekenhuisopname of een, zelfs tijdelijke, werkloosheid veroorzaken kleine drama’s.

Er is het fenomeen van de generatiearmoede : kinderen zijn vanaf de wieg gestigmatiseerd en monsteren sociaal gehandicapt aan op de levensboot. Ze blijven dikwijls laaggeschoold, missen de internettrein en zullen tevreden moeten zijn met interimwerk of weinig interessante jobs en hun navenante verloning. Ze worden, nog meer dan de modale burger, het gemakkelijke slachtoffer van de moloch der reclame. We worden inderdaad gebombardeerd met advertenties om toch maar te kopen en te consumeren en…te lenen want krediet kun je overal krijgen ook al is daar in vele gevallen geen draagvlak voor. Meer en meer mensen trappen in de val, maken schulden allerhande en komen in een doodlopende steeg terecht waaruit alleen een collectieve schuldenregeling ( via een rechterlijke beslissing) hen nog kan redden.

Daarnaast worden we nu geconfronteerd met de gevolgen van wat ik de gezinserosie noem.

Tot de jaren ’70 van de vorige eeuw was het niet ongewoon dat er drie generaties onder één dak woonden. De tussenliggende generatie, de thuisblijvende moeder (aan de haard), nam de zorg voor de kinderen en, in vele gevallen, de inwonende ouder van één der partners op zich.

Een dienst voor buitenschoolse kinderopvang was onbestaande ; de plaatsing, op kosten van de C.O.O., van onvermogende bejaarden was een zeldzaamheid. De economische vlucht en de democratisering van het onderwijs – ook meisjes stroomden het middelbaar en zelfs het hoger onderwijs in – leidden tot een ware revolutie  in de tewerkstelling. De vrouwen werden massaal in het arbeidscircuit opgenomen. De buitenhuiswerkende vrouw verwierf haar financiële onafhankelijkheid en vrijheid. Daarnaast greep de ontkerkelijking om zich heen : de bevoogding van bovenaf verdampte en daarmee ook de sociale pressie om toch maar onder één dak te blijven wonen ook al liep de relatie van geen kanten meer. De gevolgen van deze trend zijn ingrijpend want het aantal echtscheidingen is fors toegenomen. Een triest resultaat daarvan is het ontstaan van een nieuwe, sociaal kwetsbare groep : de alleenstaande, laaggeschoolde  vrouwen met kinderlast. Het afkalven van het traditionele gezin heeft er mede voor gezorgd dat de schaarste op de (huur)woningenmarkt nog nijpender werd. Huren werd duur en een min of meer fatsoenlijke woning kopen is, gezien de prijsevolutie, voor een éénverdienergezin haast onmogelijk geworden.

Ook bejaarden met een bescheiden pensioen vormen, vanuit sociaal standpunt bekeken, een risicogroep : de oplopende medische kosten zijn in vele gevallen onbetaalbaar en er wordt vanuit die hoek meer en meer een beroep gedaan op financiële interventie van het O.C.M.W.

Bij de kille vaststelling dat er altijd rijken en armen zijn geweest leg ik me niet voetstoots neer. Ik hoop alleen dat we niet verder opschuiven in de richting van een duale maatschappij waarin een aangroeiende kaste van losers de geur van de welvaartskeuken alleen van op een afstand kan opsnuiven. Enorm investeren in het onderwijs, en dat vanaf de basis, lijkt me de beste garantie te zijn om met succes de problematiek van de (kans)armoede aan te pakken. 

H.J.