Nieuwjaarke zoete

Ik ben er vrijwel zeker van dat we aanstaande zondag, op oudejaarsavond, niet veel kinderen de kans zullen moeten geven om ons al zingend naar 2007 te loodsen. ‘Goesjdiejel roepen’ is al geruime tijd volledig verdwenen en ook de traditie dat het kleine grut op oudejaarsavond van deur tot deur trekt om wat centen bij elkaar te kwelen behoort stilaan tot het verleden. Er zijn een paar oorzaken aan te wijzen voor die trend. Ouders schrikken ervoor terug om hun kinderen nog op straat te laten lopen in die lange, donkere avonden van de jaarwende. Het onveiligheidsgevoel is er debet aan dat we onze telgen liefst achter de kachel houden eens de zon in de horizon is weggezakt. Maar toch voldoet die uitleg niet helemaal want ook al in het pre-Dutrouxtijdperk ging het met het zingen op oudejaarsavond bergaf.

Er is wellicht een meer simpele verklaring, een verklaring die zó voor de hand ligt en die we af kunnen leiden uit de teksten van onze nieuwjaarsliedjes : in wezen waren dat echte bedelliederen, stammend  uit tijden waarin schraalhans keukenmeester was in zeer veel gezinnen. De eindejaarsfeesten boden aan rondtrekkende muzikanten of kinderen uit minderbedeelde families de ideale gelegenheid om een beroep te doen op de goodwill en de vrijgevigheid van de rijken. Met Kerstmis en Nieuwjaar waren die laatsten wat vlugger geneigd om wat op te diepen uit hun voorraadkelder. De tekst van Nieuwjaarke zoete, die ik, samen met mijn nicht, nog bijeen kon memoriseren, spreekt in dat verband boekdelen.

 

Nieuwjaarke zoete

Mijn varken heeft vier voeten
Vier voeten en ene staart
Is dat dan geen wafel waard
Is die wafel nog niet gebakken
Geef me dan een schotel pap
Is die schotel pap nog niet gereed
Geef me dan een beste kleed
Is dat beste kleed nog niet genaaid
Geef me dan een haantje dat kraait
Is dat haantje dat kraait nog niet geboren
Geef me dan een pot vol kolen
Is die potvol kolen nog niet gebrand
Geef me dan een dikke, dikke, vette vleeskant.

(De tekst werd uiteraard in het dialect gezongen.)

Pas later hebben kinderen het liedje fel ingekort en eindigde het al bij de vierde regel waar ‘de wafel’ niet toevallig werd vervangen door ‘een centje’ dat dus zo snel mogelijk moest worden verdiend.  Oorspronkelijk echter werd er geen geld gevraagd maar hengelde men naar eten, drank, kledij en verwarming, m.a.w. naar zaken die in vitale behoeften moesten voorzien. Typisch daarbij is wel de verwijzing naar het varken als hofleverancier van vet vlees. In putteke winter is calorierijke voeding een must want ons lichaam heeft dan meer brandstof nodig dan in de luie zomerwarmte. Ook  teksten van andere nieuwjaarsliedjes die werden begeleid op een rommelpot * lopen merkwaardig parallel met ons Nieuwjaarke zoete.  Ik citeer één ‘rommelpotlied’. 

Geeft wat om de rommelpot
’t Is zo goed voor hutsepot.
Van de liere, van de lare,
Van de liere lierom la,
Vrouwtje geeft op Gods gena.
Geef wat spek en geef wat worst
Geef wat bier al voor de dorst.
Geef ons ene rib of twee,
Geef ons dat voor moeder mee.
’t Varken heeft een lange staart,
’t Is ook wel het eten waard.
Karbonaden op den dis,
Dan is ’t thuis ook kerremis.
Vrouwtje geef zo veel gij kunt:
Hemelsvreugd wordt u gegund.

Het is evident dat zo’n teksten het bij onze jeugd niet meer doen. Ik zie niet direct één van onze kleinkinderen smakken van goesting omdat er een varkensstaart in de hutsepot ligt en ik denk dat ze ook zullen passen voor spek en een vette vleeskant. Gaan zingen om een worst te krijgen zit er ook niet meer in, vermoed ik. Zelfs een centje kan niet meer bekoren in tijden dat er voldoende tot overvloedig zakgeld wordt gegeven aan het nageslacht.

En daarmee heb ik waarschijnlijk dé oorzaak aangegeven voor de teleurgang van het zingen op oudejaarsavond. Waarom nog met een mombakkes op van deur tot deur gaan leuren  als er toch genoeg euro’s in je zakken zitten. Tussen haakjes, dat mombakkes en de verkleedkledij werden  gedragen omdat men als arme niet wilde herkend worden…

 

(Een rommelpot is volgens Van Dale een ‘pot die met een (varkens)blaas is overspannen, waar men in het midden een rietje doorheen gestoken heeft dat men vochtig maakt en op en neer beweegt, wat de blaas in trilling brengt.’ Met wat goede wil kan men het een rudimentair instrument noemen.)

H.J.