De geschiedenis van de paters Kruisheren in Denderleeuw  (1) 

In het parochieblad van Denderleeuw, maar dan wel iets meer dan 58 jaar geleden, werd er bericht ‘dat de paters Kruisheren zijn aangekomen om zich te wijden aan de christelijke en wetenschappelijke opvoeding van de jeugd ‘. Woensdag 17 september 1947 : in hun wit-zwarte outfit zijn de paters Lauwers, Snyders en Jennen en broeder Martinus Van den Elzen net pinguïns als ze in het station arriveren. Ze nemen hun intrek in een huis, Nieuwstraat 12 (nu nummer 60), dat even tevoren was aangekocht. Een paleis kon je het niet noemen : geen badkamer of douche, een wc buiten zonder stromend water, een minikeuken. Ze woonden gewoon zoals toen de meeste gezinnen woonden. Van die 4 pioniers –want  dat waren ze, in de eerste naoorlogse jaren toen er nog volop geworsteld werd met de naweeën van de gruwelijkste slachting uit de geschiedenis- is er nog één in leven : pater Jennen die nu in het klooster van Runkst/Hasselt woont maar die hier, en daar ben ik haast voor 100% zeker van, een stuk van zijn grote, gouden hart verloren heeft. Denderleeuwenaars die hem hebben gekend spreken met eerbied en respect  over hem want in hun herinnering leeft hij voort als de man die het opnam voor de sukkelaars en de mensen met problemen.

De rare vogels werden ook wel ‘witte paters’ genoemd en ‘Hollanders’ omdat ze ‘skoon en beskaafd ‘ Nederlands spraken. Ze werden door een flink deel van de plaatselijke goegemeente hartelijk en gastvrij bejegend want men wist dat ze het niet te breed hadden en door menige gulle boer, winkelier en particulier werd hen een en ander toegestopt. Natuurlijk kwamen die vier kloosterlingen niet zo maar eventjes op een blauwe maandag vanuit het verre Limburg naar een willekeurig dorp in de Denderstreek overgewaaid om daar de achterlijke inboorlingen te beschaven en te evangeliseren. Aan hun komst waren sinds 1945 onderhandelingen voorafgegaan tussen de Kruisheren, het bisdom Gent en de pastoor  ter plekke, E.H. De La Croix. Die onderhandelingen verliepen niet echt vlot omdat het bisschoppelijke Gent niet zo patersgezind was. Pastoor De La Croix, die sympathie had opgevat voor de zachtmoedige pater Lauwers, die later de eerste rector van het convent zou worden, liet weten dat Mgr. Coppieters, de bisschop, er constant op hamerde dat de hele onderneming aan het bisdom geen cent mocht kosten en dat de Kruisheren  niet hoefden  te rekenen op een parochie. Een waaier aan oorzaken en omstandigheden zijn er debet aan dat er toch een akkoord uit de bus is gekomen : het doorzettingsvermogen van pastoor De La Croix, het lobbywerk van de toenmalige katholieke volksvertegenwoordiger Albert Van Den Berghe ( de vader van de latere bisschop van Antwerpen), de invloed van dokter Delvoye en de familie Rollier waar hij was ingetrouwd en niet in het minst de geruchten over plannen die in Brussel werden gekoesterd om  in Denderleeuw een staatsschool te bouwen. Men moest de vijand voor zijn : een gemeente mét een atheneum en zonder katholiek middelbaar onderwijs was ondenkbaar ! Zo’n heidense toestand moest ten allen prijze worden vermeden. En zo geschiedde…

In september ’47 werd er gestart met katholiek middelbaar onderwijs voor jongens : 23 knapen van plechtige communieleeftijd zakten naast de kerk over de bonkige kasseien (die er nog liggen) af naar ‘the place to be’ aan de Dender. De zusters franciscanessen zijn zo vriendelijk geweest om een klaslokaal ter beschikking te stellen voor die eerste ’zesde moderne’ en om tussen de middag te zorgen voor toezicht op de speelplaats. Ook vanuit een andere religieuze hoek werd een helpende hand aangereikt : de toenmalige onderpastoor Van der Stricht werd leraar Duits en natuurkunde. Ondertussen was rector Lauwers koortsachtig op zoek naar betaalbare bouwgrond voor het college dat er zo rap mogelijk moest komen en voor het latere klooster. Vrij snel, in maart ’48, kon hij, tegen zeer gunstige voorwaarden, eerst 99 en daarna nog eens 44 aren kopen van de heer Frans Couck, de smid van de ‘voet-weg’.

( Ik permitteer me een ‘tussen haakjes’ om het nog vrij landelijke karakter van het toenmalige Denderleeuw te karakteriseren. Toen er in de lente van ’49 met de bouw van het college werd gestart, was de Nieuwstraat een verharde weg en was wat we nu de Collegestraat noemen een paadje naast een open, stinkende beek. Tussen beide wegen bevonden zich o.a. weilanden waarop de koeien van Frans de smid stonden te grazen. Als leerling van de lagere school heb ik ze, medio vijftiger jaren, nog horen loeien…Zelfs voor het collegegebouw heb ik nog Bella’s zien herkauwen…)

In het voorjaar van ’49 begon de Denderleeuwse firma Van Pottelbergh-Steppe met de bouw van het college, een klus die, gezien de omvang van het werk, in een recordtempo werd geklaard want in oktober van hetzelfde jaar zegende mgr. Van Hees, algemene overste van de Kruisheren, de ruwbouw in. Maar…het geld was opgesoupeerd en van staatssubsidies was er (tot 1952) geen sprake. Het interieur afwerken zou handenvol geld kosten en dus nog jarenlang aanslepen. Financieel kon men toch het een en ander realiseren omdat de overtuigde en gewetensvolle ouders schoolgeld betaalden – een zware dobber voor velen in die krappe naoorlogse tijden- en omdat Denderleeuwse prominenten een comité hadden opgericht ter verdediging van het vrij onderwijs, een comité dat festiviteiten organiseerde die de kas moesten spijzen.

In 1953 bereiken, na 6 jaar, 5 van de 23 starters uit ’47 de finish van de Wetenschappelijke A, de zwaar wiskundige richting van de moderne humaniora. Daarvan wonen er, voor zover ik weet, nog 3 op het grondgebied van groot-Denderleeuw : de heren Laurent De Bodt, Marcel Souffriau en Wilfried Van der Perre. De pionierstijd van de school is daarmee afgesloten.

H.J.

Ga verder naar deel 2