Knollen & rapen


In de albums van Suske en Wiske worden de helden soms met een teletijdmachine door professor Barrabas naar het Egypte van de farao’s of de Nederlanden onder keizer Karel V geflitst. De fysica heeft ons geleerd dat de pijl van de tijd ongenadig vooruit wijst en we nooit meer terug kunnen naar het verleden omdat niets zich sneller kan voortplanten dan het licht. Toch vind ik het soms jammer dat ik niet, net als de geleerde prof van de studio’s Van den Steen, over het vermogen beschik om mijn kleinkinderen naar de tijden van toen te piloteren, niet eens zo ver terug in ruimte en tijd. Veronderstel even dat ik ze bij de hand mee kan nemen naar het Denderleeuw van een halve eeuw geleden.

We zijn dan aanbeland in een hoofdzakelijk landelijke gemeente waar bijv. ‘op het veldeken’ in Huissegem een aantal landbouwers de kost verdienen. Bengels van toen wisten drommels goed dat koeien loeien en scharrelkippen altijd druk doende zijn met hun bezige poten ;  we hoorden varkens knorren aan hun trog en herkenden de geur van dampende paarden. ‘Wanneer ik door de velden ga’ is nu de beginregel van een kerklied, voor ons was het dagelijkse kost. Op hun akkers verbouwden de boeren tarwe, aardappelen, bieten, rapen, rogge, haver. Van maďs was er geen sprake. Net als de apostelen uit de evangelies hebben we aren geplukt die we in onze handen fijnwreven tot er alleen ontvliesde graankorrels overbleven : we proefden het koren op onze tong maar echt lekker kon je de melkachtig witte brij niet noemen.

In de tuinen van de woningen werden groenten gekweekt. Gazons waren een overbodige luxe, verspild areaal. Het telen geschiedde niet altijd ‘puur natuur’ : de preivlieg werd driftig bestreden met een gevaarlijk giftig goedje (E605 heette, denk ik toch, het spul) en ook de coloradokever en de rupsen op de koolsoorten was in de regel geen lang leven beschoren. Groenten waren toen nog seizoensgebonden kost. In de lente smaakte de snijsla, die was blijven staan omdat er geen plaats meer was om ze uit te planten, als malse, smeuďge boter en na Sinte Pieter werden ‘de eerstelingen’ gerooid : ‘chocoladen eitjes’ die moesten worden gekrabd en niet geschild. In de sappige tomaten proefde je de zomerzon. Eind juni was de tijd aangebroken voor de eerste sperziebonen : in den beginne heel lekker maar na een tijdje kwamen ze ons de strot uit. Met hele emmers werden ze ’s avonds geplukt : volwassenenwerk want wij zouden in onze haast en spoed de struiken zelf mee hebben uitgetrokken. ’s Anderendaags moesten de kinderen de boontjes wel schoonmaken want ze werden ‘gestereliseerd’, ingemaakt voor de winter. Er is geen groente die wij zo intens hebben gehaat als de sperzieboon.

En dan kwamen de herfst en de winter met prei, witloof en kolen in alle maten en gewichten : rood, wit en groen (net de Italiaanse vlag) en spruitjes waarop werd gewacht tot na de eerste vrieskou.

 Mijn vader en oom pachtten voor onze deur ook nog een lap grond van een 8-tal aren. De helft daarvan werd volgepoot met late aardappelen. In september werden die uitgekapt : wij moesten het loof wegritsen, heen en weer schudden en het dan op een hoop gooien. De knollen werden opgeraapt, voorzichtig schoongewreven, in tenen manden gedeponeerd  die daarna in juten zakken werden leeggegoten. Onze hoop dat daarmee de kous af was bleek ijdel want thuis werden die juten zakken op een verharde ondergrond uitgekieperd omdat de aardappelen nog wat moesten opzomeren voor ze naar de kelders verdwenen. De laatste restanten aarde werden weer weggewerkt en daarbij was het volstrekt verboden, taboe en doodzonde om de knollen tegen elkaar te kloppen, kwestie van geen blauwe plekken te veroorzaken. Ik associeer aardappelen rooien nog altijd met warm weer en met de deugddoende koelte van de grond waarin we met onze blote voeten moesten ‘knollen’, de aarde moesten omwoelen op zoek naar die paar goudklompjes die anders voor eeuwig verloren dreigden te gaan voor het nageslacht. En na september werden in het najaar de rapenvelden met een bezoekje vereerd : we gingen, vooral voor de kick, op zoek naar andere witte knollen die naar ‘water en wind’ smaakten en waarvan de voedingswaarde grensde aan de limiet van 0. ..

Knollen en rapen en groenten van 50 jaar geleden : het klinkt alsof ik het verleden idealiseer maar ik kan het ook niet helpen dat de sla en de tomaten in de winters van nu niet zo lekker zijn als in de zomers van toen.

Om het verwijt te pareren dat ik de tijden van weleer al te zeer ophemel wil ik dit tekstje afronden met een weinig hygiënische en appetijtelijke anekdote. In de vroege lente werd op de velden de inhoud van de beerputten uitgeplenst. De meeste woningen beschikten nog niet over een wc met stromend water, aangesloten op het distributienet. Toiletpapier was krantenpapier dat netjes op maat was verknipt en in het ‘bestekamertje’ aan een haak werd opgehangen. Als er werd gebeerd kon iedereen die ‘door de velden gaat’ aan het onverteerde papier, dat tussen de blinkende drollen open en bloot lag te stinken, zien welke krant er werd gelezen ten huize van de betreffende landbewerker.

Mijn kleinkinderen met een teletijdmachine naar het Denderleeuw van 50 jaar geleden flitsen?

Naar een tijd zonder tv en pc en gsm ?  Snel terug naar 2009 hoor ik ze al verzuchten…

H.J.