Een beetje Kerstmis voor elkaar…

Een mens zit toch vreemd ineen. Elk jaar, bij het begin van de advent, waaien flarden tekst van een eigentijds kerstliedje door me heen. Het liedje werd geschreven en gezongen door  De Vaganten, een kleinkunstgroep die in de media nooit de aandacht heeft gekregen die ze verdiende, dus nooit écht is doorgebroken en in de vergetelheid is geraakt. De tekst van het refrein is niet meer dan een eenvoudige, berijmde vraag en dat is wellicht de reden waarom ze zich in mijn geheugen heeft vastgeankerd : Waarom zijn we het ganse jaar/ niet wat Kerstmis voor elkaar ?  Deze simpele vraag confronteert ons eigenlijk met een onaangename waarheid, nl. dat er van al de goede voornemens en vredevolle dromen die in de kersttijd ons gemoed ondersneeuwen bitter weinig in huis komt.  

In een vroegere vertaling van het  kindheidsevangelie volgens Lucas zongen de engelen bij Jezus’geboorte over ‘vrede op aarde aan alle mensen van goede wil’. Soms vraag ik me vertwijfeld af of de vredesduiven onder ons geen machteloze minderheid vormen die op moeten roeien tegen een woeste stroom van geweld, geweld dat velerlei gedaanten aanneemt,  van oorlog over moord en foltering tot uitbuiting, verkrachting en terreur. Het avondjournaal is dikwijls een trieste litanie van allesbehalve blijde boodschappen die een mens soms moedeloos stemmen en hem ertoe verleiden om de tv uit het raam te keilen. We zijn ver verwijderd van Schillers ‘Ode aan de vreugde’ en van Alle Menschen werden Brüder. Na mijn levensbedreigende ziekte gruw ik nog meer dan vroeger van zinloos geweld. Ik kan er echt niet meer bij dat mensen elkaar blijven uitroeien omwille van macht en bezit en nog minder begrijp ik dat we elkaar in naam van onze eigen God naar het leven staan. Fundamentalisme en godsdienstfanatisme zijn kwalijke verschijnselen, christenen –die er gezien de geschiedenis van vroeger en zelfs van vandaag niet van vrij te pleiten zijn – en  niet-christenen onwaardig.

Dergelijk fanatisme staat haaks op de kerstboodschap.  Ik voel me sterk aangesproken door het beeld van een God die kind wordt. Men goedkope, zeemzoete sentimentaliteit  heeft dat weinig te maken, wél met machteloosheid en afhankelijkheid. De God van Kerstmis is geen Almachtige Heer der legerscharen die zijn vijanden over de kling jaagt of angst inboezemt. Met Kerstmis wordt God ons kind en nodigt Hij ons uit om Hem als dusdanig lief te hebben. Gerard Reve heeft die gedachte prachtig verwoord in het volgende fragment

Wanneer ik er nu van uitga, dat het de vervulling van ’s mensen bestemming is, God lief te hebben, dan rest mij nog slechts de vraag, welke soort van liefde jegens God ik mij dan als ideaal zou moeten stellen. Het antwoord moet luiden : de meest onbaatzuchtige en meest onvoorwaardelijke liefde. Is dat de liefde van kinderen jegens hun vader? Die liefde is verre van belangeloos : zij is gemengd met vrees voor straf, en voor verlies van geborgenheid. Is het dan de liefde tussen liefdespartners? Zeker kan zulk een liefde grote momenten van werkelijke belangeloosheid bevatten, maar zij is toch ook gemengd met elementen van voorwaardelijkheid, zoals vergroting van het zelfgevoel, veroveringszucht en driftbevrediging. Is het dan de liefde tussen broers, zusters, vrienden? Ook die liefde blijft ten dele gericht op eigen behoud en eigen belang. Welke liefde blijft dan over? Het is de  liefde, die ouders koesteren jegens hun kind. Deze liefde vraagt, indien zij echt is, niets en geeft alles. Aldus moeten wij God liefhebben als ons kind. 

De Duitse mysticus Angelus Silesius (17°eeuw) balt een identieke gedachte samen in één van de honderden koppelrijmen ( disticha ) uit zijn Cherubinischer Wandersmann :

Ik ben een kind van God, maar hij is ook mijn kind :
hoe wonderbaar de band die ons zo samenbindt.
Uit zijn hemel zonder grenzen is God als een kind tastend aan het licht gekomen,
even weerloos als wij mensen.
(Oosterhuis)

Als kerstkind schreeuwt God  om zachtmoedigheid. Tegen beter weten in blijf ik hopen dat die kreet toch ooit zal worden gehoord in het Pentagon en het Kremlin, in Teheran, Bagdad, Gaza en het Heilige Land, in de hoofdkwartieren van Eta, Ira, Navo en Al Qaeda, in Darfour en Congo en Myanmar, in de hoofden en de harten van onszelf want ik ben er me ook van bewust dat de Bond zonder Naam gelijk heeft : als wij de wereld willen veranderen moeten we bij onszelf beginnen. Kerstmis roept mij op om in mijn eigen directe omgeving alle geweld te bannen. Kerstmis is een voortdurend appèl om, naar de woorden van Jesaja, het geknakte riet niet te breken. Waarom zouden wij, in Gods naam, en naar de woorden van de Vaganten, niet het ganse jaar wat Kerstmis kunnen zijn voor elkaar ? 

H.J.