Over kerkhoven en Leander, de suisse

Over smaak valt,zo beweert de oude Latijnse spreuk, niet te twisten. Naar mijn mening is de etymologie één van de interessantste onderdelen van de taalwetenschap : zij gaat op zoek naar de oorsprong en geschiedenis van de woorden en komt op die manier nogal eens onwillekeurig op het spoor van de eerste en oudste betekenis van het woord. Het begrip ‘kerkhof’ bijv. is als een been waarop het heerlijk kluiven is.

Oorspronkelijk was het een ommuurde, alleszins omheinde en afgesloten hof rond de kerk. Die betekenis horen we ook doorklinken in het Engelse ‘churchyard’ en het Duitse (verouderde) ‘Kirchhof’. Maar ook het hedendaagse ‘Friedhof’ verraadt nog iets van die oorsprong : ‘einfrieden’ betekent immers ‘omheinen’. ‘Friedhof’ heeft etymologisch dus niets van doen met vrede ; die associatie wordt wel gemaakt omdat er op zo’n plaats stilte heerst en de doden er in vrede rusten. Die omheinde ruimte deed dienst als begraafplaats omdat men van oordeel was dat de doden het best hun laatste rustplaats vonden in de onmiddellijke nabijheid van een kerkgebouw. De kerkhoven werden al snel te klein en daarom moest er door de overheid worden uitgezien naar andere, wijdere ruimtes. Hier in Denderleeuw vond men een dergelijke open plek in de Moreelstraat maar ook dat kerkhof werd te benepen. ( Nu is, begrijpe wie kan, op die plaats het gemeentelijk arsenaal te vinden.) Er werd dan uitgeweken naar het ‘veldeken’, ter hoogte van de huidige Toekomststraat. De eerste graven werden er gedolven net vóór de tweede wereldoorlog : een paar verweerde zerken, links achter het gebouw aan de ingang, zijn daar de stille getuigen van.

Tot eind van de vijftiger jaren was de hele omgeving van het nieuwe kerkhof nagenoeg maagdelijk landelijk. De Kerkhofstraat was een veredelde verharde weg, Toekomststraat, Polderstraat en Vrijheidstraat waren eigenlijk geen straten maar veldwegen, stofferig in de zomer, slijkerig in de winter. Er werd een tweede –vanuit het centrum kortere- toegangsweg naar het kerkhof gecreëerd : de ‘gele baan’ (‘geel’ omwille van de kleur van het grind) die vanaf de Nieuwstraat kaarsrecht naar de dodenakker liep. Die ‘gele baan’ is ondertussen vrijwel volledig toegebouwd ; het laatste stuk, vanaf Stam X, is nu geasfalteerd. 

Ik associeer het kerkhof altijd met mijn kindertijd. Ik kan me nog heel goed herinneren dat er links van de ingang een primitieve bergruimte in betonnen platen was opgetrokken waar het alaam van de grafdelver zijn onderkomen vond. Ik zie die man, Leander, nog voor me, met zijn strenge blik en vervaarlijke snor. We beseften als jonge smaken niet goed wat we uitspookten want uren hebben we doorgebracht, al spelend tussen de graven. Denkend aan die jaren schreef ik ooit het volgende tekstje :

Het kerkhof lag open en bloot,
vrije toegang tot de dood.
De grafdelver kwam met zijn fiets
En joeg ons uit de tuin van Niets.

Leander werd opgevolgd door Kamiel, een triest ogende man die, voor het vele verdriet dat hij zag,  nogal eens troost zocht in het café op de hoek van Kerkhofstraat en Toekomststraat. Vreemd, of misschien toch niet, dat de beide grafdelvers ook als suisse dienden in de kerk.

In hen werd de band  tussen kerk, kerkhof en dood voor het laatst gepersonifieerd. Ze schreden door de gangen in hun uniform dat er van op een afstand sjiek en deftig uitzag maar dat van nabij een eerder groezelige en sjofele indruk naliet : het was dringend   aan een beurt toe in  wastrommel of stomerij. Het klatergoud op epauletten en broek kon dat niet verdoezelen. Op hun hoofd stond een eigenaardige hoed die voor- en achteraan op een punt uitliep. Ze droegen ook een bandelier met daarop de plechtige aanmaning : ‘Eerbied in Gods huis’. Vooral de hellebaard boezemde ontzag in. We zouden het niet gewaagd hebben om ons om te draaien op onze stoel of om  een babbeltje te slaan met onze kameraden.
 

(Het woord ‘suisse’ is aan het Frans ontleend. Wellicht heeft de ordehandhaver in de kerk zijn naam te danken aan de Zwitserse wacht in het Vaticaan die ook een bewakingsfunctie uitoefent, een uniform draagt en een hellebaard hanteert.)

Verder uitbreiden kan het kerkhof niet meer. Er zijn nu op het oorspronkelijke rechtse gedeelte twee grote vakken kruisen en zerken verwijderd : ik weet nog wel waar mijn moeder, twee tantes en mijn dooppeter ongeveer voor immer rusten maar de juiste plek aanduiden kan ik niet meer. Ons gebeente en onze as worden voor eeuwig opgenomen in de anonimiteit van moeder aarde. Niemand zal zich ooit onze namen herinneren, tenzij Eén want midden in de dood zijn wij in Zijn Leven. 

H.J.