Het mooie kieken

In ‘De lelijke leeuwerik’, mijn tekst over de Schotse huisvrouw Susan Boyle die, zoals we ondertussen al weten, tweede werd in de talentenjacht Britain’s got talent, heb ik erop gewezen dat we ons bij het beoordelen van mensen niet mogen laten leiden door de fysieke verschijning want dat schone schijn enorm kan bedriegen.

Uitgerekend de dag nadat ik het artikel naar parochieblad.denderleeuw@telenet.be had doorgemaild lees ik in De Standaard van 28 mei op p.35 onder de veelzeggende titel  Een bende viezeriken in de Zoo de volgende onthutsende zin : ‘ Ik sta er altijd versteld van hoeveel lelijke mensen er zijn.’ Sonia Mariën, de dame achter deze woorden, zal zichzelf wel niet onderbrengen bij de schare van die deerlijke hotemetoten. Maar aangenomen dat zijzelf niet helemaal achteraan stond toen bij de schepping de esthetische kwaliteiten werden toegewezen, feit is dat ze met haar commentaar heeft bewezen niet vooraan te hebben gestaan toen het gezond verstand en de wijze kijk werden bedeeld.

Eigenlijk moet je toch niet erg slim zijn om je, uitgerekend als doktersvrouw, te laten verleiden tot zo’n uitspraken. In ‘Man bijt hond’  was te zien hoe ze met haar moeder door de Antwerpse zoo kuierde en daar van leer trok tegen ‘die bende respectloze viezeriken die het plaatje helemaal verpesten’ omdat ze geen verstand hebben om zich te kleden en (als vrouw) ‘een legging en veel te kort T-shirt dragen ook al zijn ze dik.’ De echtgenote van meneer den doktoor debiteert haar waarheden in onvervalst Aàntwààrps. Jammer, want van smaakvol aangezette rooie lippen verwacht je dat ze alleen skone, beskaafde klanken produceren. In het artikel uit De Standaard blijkt verder dat ons aller Sonia geobsedeerd is door de kleuren –

combinatie wit-zwart en dat haar mama daar de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat ze een verwend nest zou zijn dat kickt op uiterlijkheden wil ik niet gezegd hebben en dat leid ik dus niet af uit haar volgende bedenkingen maar helemaal vrijblijvend zijn die ook weer niet…’Ik heb vier oudere broers. Mijn mama wou altijd een dochter, en toen ze mij had, behandelde ze mij als haar popje. Ik zie ons nog op restaurant gaan. Ik droeg een zwart fluwelen kleedje met witte roosjes van Princess, die winkel bestaat nog. Daaronder witte sokjes en zwartgelakte schoenen. Toen is het begonnen.’  In de zomermaanden kiest Sonia wel voor oranje en dat is oeioei een moeilijke kleur. ‘Toen ik absoluut oranje laarzen wou, heb ik daar drie jaar naar moeten zoeken.’

Gek genoeg heeft mevrouw Mariën het niet helemaal mis als ze beweert dat ze haar passie voor wit-zwart (voor merkkledij en chic tout court ) heeft ingezogen met de moedermelk en dat haar opvoeding haar heeft gekneed tot wie ze is. Maar laat haar dan consequent zijn, even nadenken en zich afvragen of corpulente dames en heren met kromme benen zelf gekozen hebben voor hun fysieke mankementen. En zou het niet kunnen dat vrouwen die goedkope leggings dragen gewoon de centen niet hebben om zich dure spullen aan te schaffen, dat ze misschien generatiearm zijn en thuis nooit hebben gezien en geleerd hoe zich op te dirken.

Over smaak valt overigens wél te twisten. Als onze dame denkt dat ze goede smaak te koop heeft, dan plaats ik toch levensgrote vraagtekens bij haar overtuiging. Op de kleurenfoto in De Standaard is te bewonderen hoe ze in haar tuintje poseert, een zwarte Schotse terriër tegen het hagelwitte jasje aangekoesterd. Al goed en wel maar wat te denken van die twee koeienbeelden –uiteraard wit-zwarte beesten-  die daar toch zo kitscherig onnatuurlijk op het lapje groen van de gerestaureerde boerderij staan te niksen. Kneuteriger kan het niet in wat ooit het optrekje is geweest van een keuterboer uit Oelegem want inderdaad, the lady in white and black resideert in Oelegem en niet Oenegem zoals ik eerst per abuis had gelezen.

Gandhi heeft ooit gezegd dat het voor hem een raadsel was dat mensen menen hun eigen status op te kunnen krikken door anderen te vernederen. We hebben inderdaad niet de minste reden om neer te kijken op onze lotgenoten. We vergeten maar al te vlug dat we in de wieg zijn gelegd met de gaafheid van onze huid, de vorm van onze neus, de capaciteit van ons geheugen, ons schilderstalent, ons muzikaal  gehoor, onze hebbelijkheden, goede kanten en gebreken. We hebben onszelf gekregen en geërfd : die bedenking moet ons alleen maar dankbaar stemmen en aansporen tot bescheidenheid. Valse nederigheid hoeft daarom niet maar ijdelheid is evenzeer misplaatst.

De schrijver van het boek Spreuken vat de teneur van mijn tekst samen in de volgende citaten:

‘ Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand ; iemand met inzicht zwijgt.’ (11,12)

‘ Schoonheid bij een vrouw zonder verstand is een gouden ring in de snuit van een varken.’(11,22)

H.J.