Geef mij een nieuwe hoed

Als scholier had ik geen hoge pet op van Driekoningen want het was een dag die geassocieerd werd met het einde van dé vakantie onder de vakanties. Als het weer wat meezat lag er immers sneeuw en konden we op de dichtgevroren  beken naar hartelust slieren en glijden. In de gezellige avonden rond de spar en de kerststal  klonken heldere kinderstemmen door de radio met Vlaamse klassiekers als Susa Nina en Maria die soude naer Bethlehem gaan.  Kerstavond werd in breed familieverband gevierd. Op 31 december schuimden  we ’s morgens de straten af voor ‘goesjdiejel’ en gingen we ’s avonds verkleed zingen. Op oudejaarsavond mochten de traditionele wafels niet ontbreken. (Ik zie moeder nog altijd de deeg bereiden en de scherpe geur van gist kriebelt weer in mijn neusgaten.) Op de eerste dag van het nieuwe jaar bedachten we onze liefste ouders, liefste peter en liefste meter via eigenhandig geschreven nieuwjaarsbrieven  uitvoerig  met de beste wensen, in ruil uiteraard  voor een gulle cent. Wat kon Driekoningen op die achtergrond anders betekenen dan het failliet van een zalige tijd ? In het slechtste geval zat men trouwens al opnieuw in de schoolbanken. Na de paas- en zelfs de lange zomervakantie kon ik me op school gemakkelijker op gang trekken. Driekoningen betekende één brok ellende.

Folkloristische gebruiken ontsnappen nogal eens aan elementaire logica. Ik heb me altijd afgevraagd hoe het toch komt dat de inwoners van Denderhoutem zo kicken op Driekoningen en ik vind het nog steeds eigenaardig dat ‘Atom’ in deze feestelijke aangelegenheid een volstrekt eiland is want bij mijn weten gaat er geen enkel dorp in de wijde omtrek zo uit de bol voor Balthazar en zijn gezellen. De website van Haaltert reikt ons geen enkele verklaring aan voor dit unieke fenomeen en historische achtergrondinformatie valt er niet te rapen. Wél vond ik op het internet een interessant artikel – de naam van de auteur ontbreekt – over ‘Het driekoningenlied in de Kempen’. De tekst bevat een paar wetenswaardige gegevens over een kort driekoningenliedje dat ook in onze streek van generatie op generatie werd overgeleverd. Ik citeer even :

 

Driekoningen, driekoningen
Geef mij een nieuwe hoed
Mijn oude is versleten
Mijn moeder mag het niet weten
Mijn vader heeft het geld op de rooster geteld.

 

In de regel waren de liederen die bij de jaarwisseling door rondtrekkende kinderen en gezelschappen werden gezongen bedelliederen : men hengelde vooral naar voedsel ( spek, worst, wafels) en gezien de toenmalige schrale tijden is dat best te begrijpen. Edoch, bedelen om een nieuwe hoed gaat  elk gezond verstand te boven want in hartje winter heeft men toch eerder nood aan een warme bivakmuts, een dikke trui en een paar ferme wanten. En naast dat raadsel van die nieuwe hoed zit een nuchter denkend mens ook verveeld met het geld dat door vader op de rooster werd geteld. Wie telt er nu geld op een rooster ? Op een tafel of een toonbank ja,  maar op een rooster ?  Wat bedoelde de schrijver van dat  vers of heeft die zin compleet geen zin en kletste meneer de auteur maar wat uit zijn nek ?

Het boven genoemde artikel ‘Het driekoningenlied in de Kempen’ geeft ons een antwoord op onze vragen. Blijkt dat het bewuste liedje geen bedellied is maar een spotlied dat ons terugvoert naar het jaar 1745 in ’s Hertogenbosch, de hoofdstad van de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Daar werd toen het zingen van driekoningenliederen en het rondlopen met een verlichte ster verboden. Het verbod kwam er omdat  er onder de zangers ‘sig doorgaans een of meer bevinden, die gedeguiseert en zwart gemaakt zijn : en dat deselve aldus, baldadig- of moedwilligheden begaande, veeltijts niet kunnen worden gekent’. ( Vrij vertaald komt het hier op neer dat één of meer zangers vermomd zijn of zwart gemaakt – koning Melchior, de traditie indachtig - en dat die niet kunnen worden herkend bij de baldadigheden die blijkbaar nogal eens gepaard gingen met dat zingen.) Als reactie op het verbod, dat in zekere zin broodroof betekende voor de berooide dompelaars,  fabriceerde men de tekst van dit spotliedje waarin de draak werd gestoken met de gerechtsdienaars van de stad want die kregen, naar aloude gewoonte, met Driekoningen een nieuwe hoed…

En met het beeld van vader die het geld op de rooster telt zitten we – aldus de schrijver van het bewuste artikel - ook niet in een prettig eindejaarssfeertje, integendeel. De bedenker van de liedjestekst wil ons diets maken dat het slijk der aarde  zó door de spijlen van het ijzeren geraamte valt. Het ‘hoofd van het gezin’ verspilt de zuurverdiende centen meteen : hoeft het gezegd dat we hier een 18°-eeuwse trieste variant beluisteren van een  hedendaagse dooddoener, nl. dat armen geen geld kunnen beheren omdat de binnengerijfde centen direct  en onoordeelkundig  worden uitgegeven aan overbodige spullen, aan luxewaar en genots- middelen als drank en tabak.

Op het eerste gezicht is Driekoningen, driekoningen, geef mij een nieuwe hoed  een onschuldig, kolderesk deuntje. Dat de tekst eigenlijk wrang smaakt, heb ik nooit vermoed.

Achter luim schuilt dikwijls kille miserie. Was het niet Ernest Claes die beweerde dat humor op z’n kop gezet verdriet is ?

H.J.