Een witte Kerstmis

Kerstmis en sneeuw : velen van ons zouden er, als volleerde koppelaarsters, toch zo graag een hecht span van maken. Ieder jaar opnieuw dromen we ‘of a white Christmas’ en luisteren we vanaf medio december met wat meer aandacht naar de weerpraatjes van Frank en Sabine. Vergeefse hoop, zo blijkt, want het is van 1964 geleden dat er in Vlaanderen op kerstdag nog sneeuw lag.

Een witte kerst : wishful thinking die in de literatuur met taaie hardnekkigheid wordt beoefend. In de kerstvertellingen van Hans Christian Andersen, Dickens, de Maupassant en Brecht is het steevast bitter koud of ligt er een vracht witte vacht. ‘Het is prettig het warm te hebben als je van de kou vertelt’, schrijft Brecht. Maxim Gorki zorgt voor een dissonant en doorprikt de romantische ballon. ‘In kerstverhalen is het van oudsher gebruikelijk jaarlijks meerdere jongens en meisjes de vriesdood te laten sterven. De jongen of het meisje in een beetje behoorlijke kerstvertelling staat doorgaans voor het raam van een groot huis, glimt bij het zien van de brandende kerstboom in een luxueuze kamer en sterft de vriesdood na een opeenvolging van veel onaangenaamheden en bitter lijden.’  Deze woorden van Gorki doen me denken aan een anekdote –waar of niet waar?- die over Dickens wordt verteld : hij zou ooit een arme stakkerd hebben ingehuurd om op kerstavond aan zijn raam te komen jammeren van de kou opdat Dickens’ genodigden nog intenser konden genieten van de knusse sfeer binnenshuis.

In onze Middelnederlandse kerstleisen en –gedichten botsen we op dezelfde winterse toestanden. De armzaligheid van de plaats waar Jezus geboren is wordt sterk in de verf gezet. Meestal gaat het om een tochtige schuur of stal waar de ijzige wind vrij spel heeft. Het is ‘een ijdel ( nietige) schure waar Jezus wilde geboren sijn, daer en sloot er noch venster noch deure’. ( Maria soude naer Bethlehem gaen) ‘Het huus waar Christus in geboren was, dat hadde so meenich gat’. (Ons genaket die aventstar)  In Het quamen drie coninghen ghereden vinden Melchior, Kaspar en Balthasar ‘dat kindeken in een huysken sonder doren(deuren)’. Het gure weer ontroert de lezer/luisteraar en wekt medelijden op voor Maria en Jozef maar vooral voor het kerstkind waarvan ‘alle ledekens beven’ en dat ‘cryt van kou’. ’t Hagelde en ’t sneeuwde en de rijm lag op de daken als Maria en Jozef zich moeten laten inschrijven in Bethlehem. ‘De heiligen kerstnacht, dat was die alrecoudeste nacht’. ( Van vrouden ons die kinder singhen) Jozef moet hout zoeken en een vuur aanmaken ‘want met den winter is het kout’. ( Herders, brengt melk en soetigheyd) ‘Ende doe(toen) heer Jezus geboren werd, doe was ’t koud!’ ( Wildij horen zingen )

Met sentimentele verzuchtingen hebben deze teksten weinig te maken. De strenge winters hadden de arme middeleeuwer in zijn donkere, koude, lemen hut weinig gezelligs te bieden. Ik denk bij de lectuur eerder aan een paar gedichten van Gezelle die, einde 19° eeuw, in Hulpe schreef dat als de winter raast de ‘armoe in ’t ronde spookt’.  Gezelle lanceert een oproep tot de rijken om op Kerstmis de armen niet te vergeten ook al kraakt er dan geen sneeuw.

 

“’t Is Kerstdag ! Neen ‘t, ’t en kraakt geen snee’,/ ’t  en rijmt, ’t en vriest, ’t en ijzelt,/ toch lijden de arme menschen wee/ en wordt hun hert verbrijzeld !”

Ik moet eerlijk zijn. Al deze nuchtere bedenkingen ten spijt, blijf ook ik dromen van een witte Kerstmis. Ik hou van sneeuw en onderschrijf met hart en ziel de volgende woorden van de schilder Valerius De Saedeleer, beroemd om zijn stemmige sneeuwlandschappen : ‘Sneeuw zou ik altijd willen schilderen. Sneeuw is rust en bescherming ; sneeuw verbergt, rondt af en dekt toe. Als de hemel niet meer weet wat voor zegen aan de wereld te geven, geeft hij sneeuw’. En in de talloze Kempense dorpen, waar ze elk jaar met veel zorg en toewijding hun prachtige kerststallen bouwen, hopen ze dat de woorden van hun gouwgenoot uit Lier, Felix Timmermans,dit jaar dan toch eens werkelijkheid zouden worden. Het hoofdstuk ‘Kerstmis’ in Het kindeken Jezus in Vlaanderen begint zo : ‘ Als alles en iedereen sliep, en al de dingen in de nachtelijke stilte waren, als alleen de sterren wenkten, hoog en helder boven de aarde in sneeuw, zaten er arme herders bij een knappend vuur op een der heuvelen hunne kudde te hoeden’.

‘Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen. En dan wordt de wereld wit’, schreef Anton Van Duinkerken. Sneeuw wordt van oudsher geassocieerd met zachtheid, zuiverheid en onschuld. Dat zijn eigenschappen waar onze wereld toch zo’n enorme behoefte aan heeft. En daarom vind ik dat er met Kerstmis best  sneeuw mag liggen. Misschien slaagt hij er in om onze kille harten wat te ontdooien.

Ik wens u allen een zalig Kerstmis.

H.J.