De tijd vliegt snel…

“ Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren “ : wie ook maar over een ietsiepietsie taalgevoel beschikt zal beamen dat Karel Van de Woestijne bij deze een prachtig vers heeft gepleegd. ( Om de schoonheid ervan op je tong te proeven moet je het eigenlijk hardop reciteren.) Het ongewoon hoog aantal lettergrepen en de viervoudige herhaling van de lange a-klank zijn de stilistische weergave van wat de dichter inhoudelijk wil meedelen :  in zijn jeugd bleek de tijd geen haast te hebben en veel trager vooruit te gaan.

Ook ik heb me al dikwijls afgevraagd – samen met Van de Woestijne en met miljoenen anderen die Abraham hebben gezien of de kapen der 60, 70 en 80 hebben gerond – hoe het toch komt dat de dagen steeds sneller lijken te  vlieden naarmate men ouder wordt. Het is nu half november, de eindejaarsfeesten komen er aan en het is net alsof de kerststal nog maar onlangs naar zijn vertrouwde stekje op zolder werd gebracht. Het jaar is als een hazewind voorbij gerend.  We weten nochtans met zekerheid dat de mechanische tijd niet verandert met het verstrijken der jaren : de klepel en de wijzers van de pendule veroorloven zich geen geintjes en nemen ons niet in de maling. Ze tikken de seconden gestaag weg, zonder zich ongepaste vrijheden en frivoliteiten te permitteren. 

De kloktijd is het resultaat van ons menselijk pogen om vat te krijgen op het verloop van de feiten, om de gebeurtenissen te ordenen. Daartoe hebben we apparaten ontworpen die, van zandloper over slingeruurwerk tot atoomklok,  op een steeds preciezere wijze de ‘tijd’ opdelen.( Ons woord ‘tijd’ is schatplichtig aan het Griekse daiesthai dat ‘verdelen’ betekent.)

We  zijn gaan rekenen met eenheden als seconde, minuut, uur, dag etc. Maar het is duidelijk dat deze afgemeten tijd niet méér is dan het blanco blad waarop wij de roman van ons leven schrijven. Wij beleven psychologisch, met hart en ziel, het verloop van de gebeurtenissen en die ervaring heeft te maken met hun ‘duur’. Geen enkele minuut of dag duurt even lang. Een examenperiode van 2 weken  is niet te vergelijken met 14 dagen genieten op een stil en zonovergoten terras van een Zwitsers chalet aan de voet van de maagdelijk witte Jungfrau. En een paar dagen moeten wachten op de uitslag van een kankeronderzoek is wel wat anders dan een week endje struinen op een verlaten, winters strand.

Blijft de vraag hoe het toch komt dat met het ouder worden de jaren sneller voorbij lijken te gaan en dus minder lang duren. Ik weiger te overwegen dat wij onszelf maar wat wijsmaken en het slachtoffer zijn van een collectieve zinsbegoocheling…

“ Niet herinneringen maar verwachtingen vullen het leven van jongeren, want zij hebben nog veel toekomst en maar weinig verleden.”  Dit citaat van de Griekse wijsgeer Aristototeles reikt me een interessant uitgangspunt aan om wat door te mijmeren over de kwestie. Ik haast me er aan toe te voegen dat ik in deze over geen enkele deskundigheid beschik ; de lezer is  hoegenaamd niet verplicht om mee te gaan in mijn gedachtegang.

Ouder worden betekent dat de tijd die je nog toekomt (de toekomst) inkrimpt. Zou het niet kunnen dat wij misschien onbewust, maar daarom niet minder ingrijpend, ervaren dat de afstand tot het einde almaar inkort zodat de indruk ontstaat dat wij sneller afstevenen op hét gebeuren waar wij per definitie niet naar uit willen kijken, nl. de dood.  Tegelijkertijd  betekent ouder worden dat men de ervaringen opstapelt en dat er steeds minder te verwachten valt. We weten allemaal uit ervaring dat wachten de duur (van de tijd) verlengt. Wie nog weinig (nieuws) verwacht, wie nog weinig vooruit kijkt, rijgt de dagen gedachteloos aan elkaar. Voor we het goed en wel beseffen zijn die eendere dagen, weken en maanden geruisloos langs ons heengegleden en verzuchten we ‘dat de tijd toch snel voorbijvliegt’.

In de relativiteitstheorie van Einstein is de tijd de vierde dimensie. Ik weet  niet wat ik me daarbij moet voorstellen want zoveel genialiteit gaat mijn petje te boven. Samen met Van de Woestijne weet ik alleen dat in ‘het huis mijns vaders de dagen trager waren’…En dat de tijd die me nog rest goed gebruikt moet worden.

H.J.