De processie gaat uit…


Het “rijke roomse leven’ is een term die in Nederland werd bedacht om daar de heropbloei te karakteriseren van het katholicisme in de jaren 1860-1960, een revival die vooral in de zuidelijke provincies Brabant en Limburg doorgang vond. Maar ook in het landelijke preconciliaire Vlaanderen speelde de Kerk een dominante rol op de Bühne van het openbare leven.. Je hoeft er de indertijd immens populaire heimatliteratuur maar op na te lezen om te beseffen dat ‘de pastoor uit de bloeiende wijngaard’ (Timmermans) en geestelijken als ‘pastoor Munte’ (Claes) hun zware stempel drukten op het dorp waar zij als herder waakten over het zielenheil van de kudde die aan hun zorgen was toevertrouwd. Maar wat in Lier en Zichem geschiedde, gebeurde ook in Denderleeuw…De jaarlijkse processies bijv. -bij ons twee- waren een markante manier waarop de Kerk zich in het straat beeld manifesteerde. Nu, anno Domini 2010, weten hooguit nog een paar gelovigen dat er zoiets bestaat als een ‘Sacramentsdag’, een kerkelijk feest dat al sinds de 12de eeuw wordt gevierd op de 2de donderdag na Pinksteren, een feest waaraan in vele parochies een processie werd gelinkt, een processie die niet op Sacramentsdag zelf (een donderdag dus) maar de zondag daarna door de straten trok.

Hier in Denderleeuw vertrok die processie op het dorp, na de hoogmis. In de schoollokalen naast het toenmalige zustersklooster – nu zijn daar Kerkpunt en Monastic gehuisvest - was het toen verzamelen geblazen voor de talrijke groepen die deelnamen aan het spektakel. Het was me daar een gewriemel van jewelste en voor de tientallen figuranten -soms kinderen nog- kwam het er op aan om bijtijds het juiste klasje te vinden waar men zich om kon kleden en op kon tuigen. Ik weet niet meer wie de eindverantwoordelijkheid droeg en als regisseur het gevaarte – de processie dus - op de rails moest krijgen. (Zou dat de toenmalige onderpastoor, E.H. Van der Stricht kunnen geweest zijn?) De man torste een loodzware taak op de schouders, een taak waarvan hij zich bekwaam moet hebben gekweten want voor zover ik me herinner is de zaak nooit in de soep gedraaid, zijn we dus nooit ter plaatse blijven trappelen en hebben we ons altijd op pad begeven, de ene keer via de A.De Cockstraat en de Lichtenhoek, de volgende beurt via de Moreelstraat en de A.De Brabanterstraat. En we zijn nooit, zoals Wannes Van de Velde, in de straten verdwaald, hebben ook nooit de weg verloren en zijn altijd goed thuis geraakt…

Het schaarse verkeer lag plat en onze veiligheid werd deskundig bewaakt door de paar agenten die Denderleeuw toen rijk was. De ‘lange’ (Jan) en de ‘korte’ (Zjang) liepen voor de processie uit en hielden alle snoodaards tegen die anders op ons zouden zijn ingereden. Aangezien processies al vanaf hun ontstaan ook een didactische, belerende rol vervulden, werden, ten behoeve van de analfabete middeleeuwer, geloofsmysteries en taferelen uit de evangelies op een aanschouwelijke manier  uitgebeeld. Vandaar de keur aan groepen die een processie schragen…Zo waren hier in Denderleeuw de twaalf apostelen present, traditioneel 12 puberende knapen die aangeleverd werden door de parochie Huissegem en die vestimentair uit de penarie en in hun tenue werden geholpen door de onlangs overleden Helene Van Holsbeecke. Een geluk dat zij zich over Petrus en co wilde ontfermen…Ik zie ook nog een stel meisjes en jonge vrouwen in lange gewaden die met een plastic palmtak moesten wuiven en een lied met ‘hosanna’ erin zongen : zouden dat de wijze en dwaze maagden kunnen geweest zijn ? Jonge engeltjes met vleugels ontbraken evenmin op het appèl. En er liep zowaar ook een écht, blatend schaap mee, in de groep van de Goede Herder, veronderstel ik. En de plechtige communicanten van dat jaar strooiden bloemblaadjes rond uit hun mandjes terwijl ze een zeemzoet vooizeken kweelden waarvan ik de tekst heb gekregen van mijn schoonvader. Ik citeer even het refrein : Wij dragen voor Jezuken bloemekens blij / Maar schoner als bloempjes ons harteken rein / Wij draaien ons kransjes en zwaaien verblijd/ Den lof nu van Jezus, wij zijn Hem gewijd.

Uiteraard was de fanfare De Dendergalm ook van de partij. Ze speelde geen frivole marsen maar brede, trage melodieën, een serieuze plechtigheid waardig. En tegen het einde van de optocht kwam het baldakijn in zicht, gedragen door stoere mannen die het niet onder de markt hadden, zeker op warme dagen : Sacramentsdag en O.L.Vrouw Hemelvaart vallen niet voor niets in de meteorologische zomer. Maar ook voor de pastoor moet de processie toch wat anders geweest zijn dan een zondags gezondheidswandelingetje : hij moest kilometers lang de monstrans in de hoogte tillen en daarbij moet de zware koorkap, die stijf stond van brokaat, hem toch als lood om het lijf hebben gezeten. Het baldakijn werd geëscorteerd door de deftige, streng ogende heren van de kerkfabriek, de brandende flambeeuw manmoedig in de hand geklemd. De staart van de stoet werd gevormd door de burgerlijke en militaire overheden, door afvaardigingen van de brandweer, de civiele bescherming en het Rode Kruis.

In de week, voorafgaand aan het evenement, was alle papier dat ook maar van verre glinsterde of glom door menig vlijtige kinderhand versnipperd tot strooisel dat de straten moest versieren. De gelovigen die langs het traject woonden hadden achter hun vensters een crucifix of heiligenbeeld geposteerd dat geflankeerd was door brandende kaarsen en bloemen. Bij mooi weer stonden ze op het trottoir uitgestald, op een donker tafeltje dat blonk van de boenwas. De mensen bekruisten zich devoot toen de pastoor voorbij schreed met het H.Sacrament…

De jeugd van nu die dit leest zal misschien denken dat ik fantastische verhalen verzinnen kan over vreemde zeden en gewoonten uit een mythische oertijd, vertelsels over eigenaardige geplogenheden op verre planeten uit ons melkwegstelsel. Ze heeft het mis : wat ik schreef is een kleine kroniek over zaken die ik zelf heb beleefd zo’n halve eeuw geleden, hier in dit dorp aan de Dender, zaken waaraan ik met wat weemoed en een milde glimlach terugdenk.

H.J.