De dure dood

Stel je even voor dat je overleden bent en dat je daarboven in de hemel zit te genieten van die heerlijke rijstpap met zilveren lepeltjes. Of dat je bent gereďncarneerd in een adelaar die gracieus in de wolken cirkelt boven de kusten van Madagaskar. Geef toe, op dat moment wil je je  toch niet schuldig voelen over hoe je nabestaanden je uitvaart moeten bekostigen want daar waar  een begrafenis of crematie nu zo’n 6.000 euro kost kan dat bedrag over 30 jaar tot tussen de 13 en de 22.000 euro zijn opgelopen. Met een Dela-verzekering bespaar je de kinderen die financiële last en verlos je hen van de praktische zorgen die bij zo’n uitvaart komen kijken…

Zo ongeveer luidt een reclamespotje van de Nederlandse uitvaartverzekeraar Dela dat in de afgelopen weken meerdere keren per dag te horen was op Radio 2. Bij mijn weten hebben verzekeringsmaatschappijen zichzelf niet in het leven geroepen om ons, bijv. omwille van de mooie kleur van onze ogen, een dienst te bewijzen maar bestaat hun primaire bekommernis er in om een flinke stuiver te verdienen ; ze weten verrekt goed dat we ons willen indekken tegen alle mogelijke rampspoed en tegenslag die ons boven het hoofd hangt in een onbekende, en dus risicozwangere, toekomst. Daarom beschermen wij onszelf en de nabestaanden, via ziekte-, hospitalisatie-, auto-, brand- en familiale verzekeringen, tegen een zwakke gezondheid, ziekenhuisopname, ongevallen, brand en het kattenkwaad dat door onze telgen wordt aangericht. Maar er gaapte nog een gat in de markt van de miserie en Nederlandse verzekeraars als Dela en Yarden zijn daar gretig ingesprongen. Daarmee is een van de laatste taboes gesneuveld en is nu ook de dood gecommercialiseerd. Weg met de gęne : er wordt heimelijk ingespeeld op de schrik voor het dure sterven en men jaagt de prijs van de dood nog een flink stuk de hoogte in, nota bene onder het mom van dienstverlening.

Als je de bovenstaande tekst –voorgelezen door de warme stem van Herbert Flack- even met een ontleedmes fileert op zijn taalkundige en psychologische aspecten, dan valt meteen op hoe gewiekst en doordacht de auteurs te werk zijn gegaan. De opstellers kruipen in de huid van een man of vrouw die op een leeftijd zijn aanbeland dat de dood zachtjes, maar onomkeerbaar, in het vizier komt. Zo gaat het inderdaad : stilletjes, stapje voor stapje, doet Magere Hein zijn intrede op de Bühne van het leven. Daar waar hij tijdens de jeugd en jongvolwassenheid een stomme rol speelt, dringt hij zich, naarmate het stuk vordert, op de voorgrond en begint hij zowaar de hoofdrol op te eisen tot uiteindelijk het doek valt. We worden door Dela uitgenodigd  om ons te verplaatsen in het hiernamaals. Daarbij haakt men, onuitgesproken maar daarom niet minder bewust, in op onze instinctieve overlevingsdrang en grijpt men terug naar de traditionele, christelijk geďnspireerde voorstelling van de rijstpap die wordt binnengelepeld met edelmetaal maar ook, ten behoeve van een ander segment van de bevolking, naar reďncarnatie via het beeld van een sierlijke adelaar boven de kusten van een exotisch eiland.

En dan werkt de Dela-stem psychologisch heel handig in op het gemoed van de toegesproken ouders en pakt zij hen met fluwelen handschoen op hun weekste plek : het mogelijke schuldgevoel ten opzichte van de kinderen die eventueel de kosten voor de uitvaart zouden moeten dragen. Uiteraard wordt er in die context gegoocheld met afschuwelijk hoge bedragen. De achterliggende boodschap is duidelijk : neem, beste ouders, jullie verantwoordelijkheid  en kom bij ons jullie centen beleggen. Via een paar taalkundige kneepjes wekt Dela op de koop toe de indruk dat ouders op die manier sparen en besparen (je bespaart je kinderen die last) en meet hen ook een redderstatuut aan want ‘je verlost de kinderen van de praktische zorgen die bij zo’n uitvaart komen kijken…’

In het artikel Eenzame uitvaarten (Humo, 26 okt. pp.130-135) getuigt de 80-jarige Brusselse begrafenisondernemer Charles Heirbrant  -de man verzorgt alleen nog lowbudget-uitvaarten - dat nabestaanden, ook al zijn ze zelf zo arm als Job, in de regel toch nog een eenvoudige maar waardige begrafenis willen bekostigen voor hun dierbaren ook al moeten ze daarvoor, zoals een familie uit Charleroi, jarenlang elke maand 25 euro afbetalen. Hij haalt ook het schrijnende voorbeeld aan van twee broers die in de gevangenis zijn beland na een mislukte overval, een overval waarvan de buit (zo’n 1.000 euro) moest dienen voor de uitvaart van hun vader.

Het  respect voor en de bekommernis om de dode zijn eeuwenoud. Hier in Europa werden overledenen al heel vroeg begraven of gecremeerd : men liet de dode lichamen niet achter, zoals dat bij sommige natuurvolkeren en de Parsi’s in India nog het geval is, in de open natuur om daar te dienen als aas voor de wilde dieren en gieren. Onder invloed van het christendom beschouwen wij de doden begraven als een werk van barmhartigheid. Wij vinden grafschennis moreel verwerpelijk, juridisch strafbaar. De aanblik van een dode laat een normaal mens niet onberoerd maar werkt diepe emoties los, gevoelens van gemis en tekort, het besef ook van de eigen vergankelijkheid. Diep van binnen tekenen wij verzet aan bij de ontluisterende beelden van bulldozers die stapels lijken machinaal in massagraven duwen en wij sluiten ons in gedachten aan bij de Egidius-gemeenschap van Antwerpen die de anonieme gestorvenen toch nog een naam wenst te geven. Verwaarloosde graven maken op ons een zielige indruk, zeker als er met Allerheiligen geen bloempje te bespeuren valt. Wij stoppen een dode niet als een hond in de grond.

Maar…we beginnen inderdaad meer en meer te beseffen dat er aan sterven een financieel plaatje kleeft. Eén op de zes Belgen maakt zich zorgen over zijn uitvaart. Dela en co weten  heel goed dat we onze nazaten niet willen opzadelen met een torenhoge begrafenisfactuur. Ze laten het uitschijnen dat we hun verzekeringsdiensten nodig hebben maar mijn gezond verstand fluistert me in dat ik het bedrag dat ik aan hun maandelijkse premie zou moeten spenderen even goed opzij kan zetten op mijn spaarrekening. Een appeltje voor de dorst kun je dat bezwaarlijk noemen want op het moment dat het bijeengeharkte sommetje zijn diensten moet bewijzen zal ik er niet meer zijn want, eigenaardig genoeg, mijn dode lichaam ben ik niet meer…

H.J.