De bloemen voor mijn doden

(Pieter G.Buckinx)

 “Geniet van het leven want het duurt toch maar  even” , zo luidt (ongeveer toch) de boodschap die Willy Sommers ons brengt in één van zijn deuntjes. De man van de 7 anjers en evenveel rozen zal wel niet op de hoogte zijn van het feit dat hij daarmee op dezelfde golflengte zit als de auteur van het boek Prediker, één van de parels uit de wereldliteratuur en, literair gezien, wellicht  het meest hoogstaande geschrift uit het Oude Testament. Een vrolijk Fransje is Prediker niet. Ik zie hem niet direct in een fuiftent meehossen op het ritme van een polonaise of zich onderdompelen in het opgeklopte sfeertje van een danspartij uit de Prehistorie.

“Luttel is het aantal levensdagen dat de mens doorbrengt onder de hemel.” (2,3) De priester die op Aswoensdag een kruisje op ons voorhoofd tekent, citeert Prediker als hij er ons aan herinnert dat alles uit stof is ontstaan  en alles tot stof terugkeert.(3,20) Grondeloos pessimistisch, en ook bevreemdend voor een christen  – want Prediker gelooft  niet in de verrijzenis of in zoiets als  de onsterfelijkheid van de ziel -  is de volgende bedenking : “De doden, meende ik, zijn gelukkiger te prijzen dan de levenden. Zij die al gestorven zijn, zijn beter af dan zij die nog in leven zijn. Maar beter af dan beiden is degene die nog niet geboren is en nog geen weet heeft van het onrecht dat er wordt gedaan onder de zon.”(4,2-3)…( Zou de 19°-eeuwse Duitse filosoof Schopenhauer – ook niet meteen een lolbroek die op de bergtoppen van Tirol zijn blijdschap stond uit te jodelen - geweten hebben dat zijn aforisme ‘Het enige geluk bestaat er in niet geboren te worden’ niet zo origineel was ? )

“Lucht en leegte, alles is leegte”, zucht de schrijver. In zijn cyclische kijk op de geschiedenis is er geen vooruitgang  want “wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon.” (1,9) En verder : Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegenstaan, want het is niet meer dan lucht en najagen van wind.” (2,17) Prediker is zich bewust van de diepe kloof tussen God en mens en van de ondoorgrondelijke goddelijke wijsheid. “ Toch kan de mens het werk van God niet van begin tot eind doorgronden.” (3,11) want “ de mens is niet in staat de zin te vinden bij alles wat God doet onder de zon.”(8,17)

Maar aan dat donkere firmament fonkelt er toch een kleine, lichtgevende ster. Prediker past voor de uiterste consequentie van een absoluut absurdisme. “ Ik heb vastgesteld dat voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten. Want wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goed dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God.”(3,12-13) “Geniet op alle dagen van je leven die God je heeft gegeven.” (9,9)  

In de herfst confronteert moeder natuur ons met de paradox van het rijpe, volle maar vallende fruit. In de blozende appel, in de knapperige noot en in het knisperende, verdorde loof van de dragende aardappelstruik heeft de laaiende zon, die zichzelf tot de dood toe opbrandt, haar energie gejaagd.

Prediker heeft gelijk : laten we, ondanks alle lijden en pijn, toch proberen te genieten van het mooie dat het leven ook te bieden heeft en in alle sereniteit aanvaarden dat er ooit achter de zin van dat genieten een punt wordt geplaatst.

Het tweeluik Allerheiligen-Allerzielen wenkt. Soms denk ik wel eens dat het logischer zou zijn om ze op de kalender van plaats te wisselen : na de aarde en de dood van Allerzielen gedenken dat er een hemel en een leven wacht van Allerheiligen. Om het met de woorden uit het gedicht Herbst van Rainer Maria Rilke  te zeggen : “Wir alle fallen. Diese Hand da fällt…Un doch ist Einer, welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält.” (Wij allen vallen. Deze hand valt uit. Toch is er iemand die geheel dit vallen/ oneindig teder in zijn handen sluit. (Vertaling : Maurits Van Vossole))

Pieter G. Buckinx verwoordt de bovenstaande gedachten op zijn eigen, poëtische manier in een strofe waaruit de titel van deze tekst is gehaald :

Geef in het voorjaar mij de stem der goden,
en in de zomer ’t helder vogellied,
en in de herfst de bloemen voor mijn doden,
en in de winter ’t vuur voor mijn verdriet,
want wie het vuur en het verdriet versmaden,
en wie het leven hier op aard verraden,
verdienen ook de hemel niet.

H.J.