Afdeling Denderleeuw

Nieuwsbrief 

Daensviering - 11 oktober 2009



 

 

Welkomstwoord door Jan De Nul

 

Dames en Heren,

 

mag ik u op mijn beurt van harte welkom heten op deze academische zitting en dit naar aanleiding van de Daensviering georganiseerd in onze gemeente Denderleeuw.

 

Dat de naam Daens en het Daensisme nog steeds kan rekenen op een zekere maatschappelijke belangstelling is eigenlijk een opendeur intrappen. Alhoewel… .

 

Deze ruime maatschappelijke belangstelling dienen we ook niet te overdrijven. Niet dat dit een miskenning mijnentwege zou inhouden, integendeel. Ik meen te mogen stellen dat deze interesse voor zijn figuur en maatschappelijk gedachtegoed een stuk beperkt blijft, doch daarom niet minder au sérieux genomen. Beperkt tot de universitaire wereld van de politicologie, beperkt tot een belangstelling die toe te schrijven is aan onze Denderregio om de louter historische reden dat de man in kwestie en zijn beweging hier hun wortels hadden, beperkt tot de – vaak latent - aanwezige kennis bij onze humaniorastudenten, die hiertoe worden onderwezen in hun lessen geschiedenis, maar die, eens uitgegroeid tot jong volwassenheid, het bestaan van de man nauwelijks weten te oriënteren in tijd en ruimte en beperkt tot de belangstelling behorend tot de wereld van de actieve politieke partijen, die zich soms te pas en te onpas dit gedachtegoed wensen toe te meten.

 

Waarmee ik dus wil stellen dat er nog steeds interesse bestaat voor Daens en het Daensisme, doch deze interesse mijn inziens best deels terug gebracht wordt tot het maatschappelijk realisme van vandaag, dat men het geheel best plaatst in zijn maatschappelijk historische context van toen. Ik wens in die zin trouwens een woord van dank te richten tot dhr. De Metsenaere, schrijver van het artikel over het Daensisme in onze gemeente dat gepubliceerd werd in ons gemeentelijk infoblad en waaruit duidelijk blijkt dat – en ik stoel mij wel degelijk op dit artikel - de ontwikkelingen en geschiedschrijving binnen deze partij toen – voor wat Denderleeuw betreft - heel sterk situationeel zijn bepaald, om niet te zeggen deels toe te schrijven zijn aan de houding en handelingen van personen, en mogelijks toen – en zeker hoe verder deze partij in zijn bestaan in Denderleeuw evolueerde - al een stuk verderaf kwam te liggen van het initieel emancipatorische gedachtegoed van het Daensisme.

 

Nu, af en toe kent de belangstelling wel een opstoot om reden dat recentelijk bij meer dan één initiatief de man en zijn beweging vanonder het stof worden gehaald, terug worden gecultiveerd en onder de ruime aandacht worden gebracht. De film Daens van Stijn Coninx bleek een aantal jaren geleden het emancipatorisch gedachtegoed achter deze streekgenoot terug tot leven te roepen. Zelf heb ik deze film gemakkelijk een 7-tal keer bekeken en laat ik geen enkele kans liggen om deze film opnieuw te bekijken. In 2006, bij de verkiezing van de “Grootste Belg”, klopte priester Daens langs Nederlandstalige kant  af op de 5de plaats en nog meer recent werd hij onder de vorm van een musical terug tot leven gebracht. Deze initiatieven kunnen er hopelijk alleen maar toe bijdragen dat Daens tot ons collectief gedachtegoed blijft behoren. Ik meen en ik vrees dat, geplaatst binnen een langer tijdsperspectief, het kloppend hart, dat er dient over te waken dat Daens en zijn gedachtegoed voor het collectief niet verloren gaan, eerder tot de fundamentele taakstelling van het Priester Daensfonds zal blijven behoren.

 

Ik wens het Priester Daensfonds dan ook uitdrukkelijk te bedanken voor de rol die zij in deze vervult en hopelijk nog lang kan, wil - om niet te zeggen moet - vervullen. Indien men mij zou vragen waar ik mezelf zou situeren binnen de actuele maatschappelijke interessesfeer voor deze beweging, dan zie ik me eerder tot die groep behoren die nog wel degelijk belangstelling toont voor deze beweging, ook al ben ik merkelijk een stuk jonger dan het gros van de toehoorders die hier vandaag in deze zaal aanwezig zijn. Een grotere belangstelling dan gemiddeld, vooreerst om reden dat ik in deze Denderregio woon, ik als humaniorastudent mogelijks meer dan gemiddeld interesse toonde voor ‘s lands politieke geschiedenis, ikzelf actief politicus ben, behorend tot een beweging die zich hier nog deels aan spiegelt en tenslotte omdat ikzelf politicoloog ben van opleiding en zodoende sterke interesse betoon voor maatschappelijk politieke ontwikkelingen, zij het in zijn actuele of historische context.

 

Vanuit deze universitaire vorming heb ik me, in de voorbereiding op vandaag, de moeite getroost om toch even te grasduinen in een vraagstuk dat me bezig houdt, namelijk het “waarom” van politieke partijen vandaag, die zich het gedachtegoed van Daensisme toen zo graag willen toe-eigenen.

 

Ik hoop dat ik hiermee niet te assertief naar voor kom om u dit discours te brengen. Hopelijk blijft het voor u als toehoorder ook onderhoudend en laat het u hopelijk een blik zijn op een benadering van een nog jong politicus, die nog tot volle wasdom dient te komen en die qua leeftijd té veraf staat van het toen bestaande actieve Daensisme in onze gemeente en regio. Enkel de generatie van mijn grootouders kon er echt voeling mee hebben gehad.

 

Ik grijp daartoe even terug naar een theoretisch referentiekader algemeen gangbaar binnen de politicologie. En ik denk dat dit ter gelegenheid van huidige academische zitting toch wel even zou moeten kunnen, daarbij terug grijpend naar het breuklijnenmodel van de Amerikaanse onderzoekers Lipset en Rokkan: Party. Systems and Voter Alignment. Tot vandaag nog steeds verplichte leerstof aan iedere universitaire instelling waar men de richting politieke wetenschappen volgt.

 

Ik neem u even mee en tracht u dit denkkader vrij vereenvoudigd uit te leggen. Beide onderzoekers creëerden een theoretisch denkkader van waaruit zij duiding trachten te geven over het ontstaan en de ontwikkeling van het partijpolitieke landschap in onze Westerse wereld.

 

Volgens beide onderzoekers zijn politieke partijen geënt op breuklijnen die stammen uit de 2 grote revoluties die de West-Europese landen de voorbije 200 jaar hebben gekend. Namelijk de nationale en de industriële revoluties.

 

De totstandkoming van de natiestaten, zoals we die vandaag in Europa kennen, gaven in hun prille wordingsgeschiedenis aanleiding tot etnische, taalkundige of religieuze onderscheiden regio’s. Daarnaast veroorzaakte de centralisering, de standaardisering en de modernisering van de overheidsbureaucratie een botsing met de historische privileges van de Kerk, ook wel levensbeschouwelijke breuklijn genoemd.

 

De industriële revolutie brengt enerzijds een spanning teweeg tussen de agrarische en industriële belangen en anderzijds tussen de belangen van arbeiders en ondernemers.

 

Dus samengevat, deze 2 revoluties, nl. het proces van staatsvorming en het industrialiseringsproces, gaven beide aanleiding tot 4 maatschappelijke breuklijnen, zijnde: centrum en periferie, Kerk en staat, platteland en industrie en arbeiders en patroons.

 

En het is dus net op die 4 grote maatschappelijke tegenstellingen dat het partijpolitieke landschap zich zal enten.

 

En keren we nu even terug naar het Daensisme en mijn vraagstuk over het waarom partijen vandaag zich zo graag het gedachtegoed van deze beweging toemeten.

 

Mij lijkt duidelijk dat het Daensisme in hoofdorde geënt zit op de maatschappelijke tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, tussen arbeiders en patroons. Het ging Daens en het Daensisme in hoofdorde over de ontvoogdingsstrijd van het arbeidersproletariaat, waarbij men openlijk de mistoestanden aanklaagde in de Aalsterse textielfabrieken. In deze tegenstelling ligt eigenlijk de wordingsgeschiedenis van het socialisme.

 

In 2de orde zit het Daensisme mede geënt op de breuklijn tussen Kerk en staat. Vooral het instituut Kerk was voor het Daensisme een moeilijk te nemen klip en eigen aan onze Aalsterse regio. Lipset en Rokkan stelden trouwens dat wat de breuklijn arbeid - kapitaal betreft, de arbeiders meer verdeeld zullen zijn in landen waar een meer openlijk en latent conflict is tussen Kerk en staat. De verwevenheid tussen de Katholieke Partij, die deels de belichaming was van rijke katholieke industriëlen en de clerus toen, maakten het Daens en zijn directe entourage niet gemakkelijk stelling in te nemen. Waar in de Gentse regio de Katholieke Partij erin slaagde een groot deel van het arbeidersproletariaat blijvend te incorporeren via de oprichting van de CV Het Volk, bleek dit in onze regio toch wel enigszins anders te liggen. Duidelijk is dat de levensbeschouwelijke breuklijn het Daensisme duidelijk parten heeft gespeeld. De infiltratie van socialistische en liberale middens, met een soms anti-clericale houding, verweefden zich doorheen de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal.

 

In laatste orde is er de nationalistische breuklijn, die mijn inziens weinig uitstaans heeft met het Daensisme. Niet dat deze breuklijn niet aanwezig was, zij het in een sterk latente vorm. Er rees in deze periode een eerste verzet tegen het ééntalig Frans taalgebruik in bestuurszaken. Dit mede gevoed vanuit een selecte groep van Vlaamse schrijvers en priesters, doch de echte nationalistische breuklijn manifesteert zich in een latere periode, nl. aan het frontgebeuren tijdens de eerste WO. En het is pas echt daarna, door de oprichting van de Frontpartij, dat het nationalisme als politieke beweging komt tot een eerste echte partijvorming. Neemt niet weg dat pas in latere instantie dit Vlaams gedachtegoed zich eveneens zal verweven doorheen het Daensisme. Mijn inziens op een moment dat de Daensistische partij al een eind verwijderd staat van zijn initiële wordingsbodem, nl. de ontvoogdingsstrijd van het arbeidersproletariaat.

 

Zonder hier nu echt nominatief de actieve partijen van vandaag te hebben genoemd, zal u als toehoorder gemerkt hebben dat het Daensisme op meerdere breuklijnen kan worden geënt. Doch de ene breuklijn duidelijker dan de andere.

 

De vraag die zich stelt is – en het is uiteindelijk een retorische vraag, want ze is niet beantwoordbaar – hoe Daens er vandaag zou tegenaan kijken, over het hoe en het waarom zijn gedachtegoed en ontvoogdingsstrijd nog steeds wordt gebruikt.

 

Zoals Rome destijds in zijn periode een meer dan uitzonderlijke verplaatsing vroeg, nam hij vandaag misschien het vliegtuig naar Latijns Amerika of India waar hij zich zou inzetten tegen de mistoestanden van de kinderarbeid.

 

Jan DE NUL

 

 

Feestrede door Frans Van Campenhout

 

Dat de viering  priester Daens vandaag samenvalt met de heiligverklaring van pater Damiaan, is louter toeval. En op het eerste gezicht hebben de twee priesters met elkaar weinig te maken. Damiaan verzorgde melaatsen op het eiland Molokaï; Daens zette zich in voor kansarmen en uitgebuite arbeiders in Vlaanderen.


Maar toen ik daarover nadacht, constateerde ik dat die twee mensen toch heel wat gemeen hebben.


We weten wel dat pater Damiaan niet de enige was die zich toentertijd bekommerde om het lot van de melaatsen. En Daens was niet de enige die zich inzette om het lot van de arbeiders te verbeteren. Maar ze waren wel een van de enigen die zich totaal en voor honderd procent ingezet hebben voor hun noodlijdende medemens. Ze waren zo gedreven door hun sociaal ideaal dat ze de moeilijkheden niet uit de weg gingen, en de ellendige mens belangrijker vonden dan aanzien, sociale promotie en zelfs gezondheid. Andere hulpverleners bleven op grote afstand van de melaatsen en zonder het te bedoelen, vernederden ze die mensen. Damiaan ging met hen om, kwam in hun hutten en at met hen. Hij benaderde ze als mens. Ook Daens ging in de te kleine en onhygiënische arbeiderswoningen, ging met hen aan tafel zitten en at hetzelfde voedsel. Hij liet de arbeiders voelen dat ze mensen waren en was één met hen.


Ze waren alletwee eigenwijs en kwamen in botsing met hun oversten. Damiaan met de overste van zijn congregatie de picpussen. Daens met zijn bisschop en de corifeeën van toenmalige Katholieke Partij. Ze hebben ook alletwee decennia moeten wachten op officiële erkenning. En pas wanneer de directe agitatoren dood en begraven waren, kon er sprake zijn van waardering en eerherstel.


Ik ga ervan uit dat jullie de film van Stijn Coninx gezien hebben, en sommigen ook de musical die voor een groot deel gebaseerd was op de film en het boek van Louis Paul Boon. Jullie hebben dan gezien hoe priester Daens zich heeft ingezet voor de uitgebuite arbeiders in de Aalsterse fabrieken. En misschien zijn er daarom onder de aanwezigen mensen die zich afvragen of zich afgevraagd hebben waarom deze Daensherdenking plaats heeft in Denderleeuw. Het is toch in Aalst dat men Daens moet herdenken. En dat gebeurt ook. Elk jaar in juni organiseert het Priester Daensfonds daar een Daensdag. Maar ook Denderleeuw is van belang.


De film geeft maar een beperkt facet van het engagement van Daens, een onvolledig beeld. Toen Stijn Coninx een film over Daens wilde maken, stond hij voor een moeilijk probleem. In een film van anderhalf uur het leven samenbrengen van een man die meer dan vijfenzestig jaar is geworden is geen sinecure; zelfs als hij de geschiedenis van Daens wilde beperken tot de laatste twaalf levensjaren toen hij volop politiek actief was. Stijn Coninx moest dus enorm selecteren. En omdat een film die zich richt tot een ruim publiek, niet te veel personages mag hebben en geen te ingewikkeld verhaal, heeft hij de geschiedenis fel vereenvoudigd en heel het verhaal van Daens teruggebracht tot de arbeiders in de Aalsterse fabrieken.


In werkelijkheid was de strijd van Daens veel omvangrijker. Daens heeft zich niet alleen het lot van de arbeiders aangetrokken, maar ook dat van de middenstanders en de boeren. Want ook deze mensen zaten honderd jaar geleden zwaar in moeilijkheden. De daensistische beweging is veel meer geweest dan een christelijk alternatief voor de socialistische arbeidersbeweging.


De boeren hadden het moeilijk omdat jaren na elkaar de aardappeloogst mislukt was en omdat het ingevoerde Amerikaanse graan goedkoper was dan het graan dat onze boeren op hun kleine akkers konden kweken. Ze leden weliswaar geen honger, op een boerderij is er altijd te eten. Maar meer dan dat hadden ze niet.


Door de industrialisering was een groot deel van de huisnijverheid in de dorpen tenietgegaan. In de fabrieken werden de produkten sneller en goedkoper gemaakt. Om in hun levensonderhoud te voorzien trokken vele handarbeiders naar de stad om in de fabrieken te werken. Maar zo ontstond er een overaanbod aan werkkrachten en konden de bazen die werkkrachten aannemen die het minst duur waren: ongeschoolde arbeiders, vrouwen en kinderen.


De daensistische beweging is ook meer geweest dan een Aalsters verschijnsel. Ze heeft zich over heel de Denderstreek uitgebreid, en vanuit de Denderstreek over heel Vlaanderen. Gemeenten als Denderleeuw, Denderhoutem, Okegem, Outer stonden bekend als daensistische burchten. Decennialang, zelfs vele jaren na de dood van priester Daens. Ook in Denderleeuw waren er, net als in Aalst, pioniers en koppige sociale strijders. Ze hebben, net als in Aalst, vervolging, broodroof en klerikale druk ondervonden. Ik moet maar herinneren aan Judocus De Bruyn in wiens huis de daensistische afdeling van Denderleeuw werd gesticht, en zijn zoon Louis, aan August De Brabanter en zijn stiefzoon Benoit De Saedeleer, aan Sooi Van der Weeën met zijn baard en aan Bonaventura Coppens. En aan de tragedie rond Désiré Boriau uit 1921-1922, dus na de Eerste Wereldoorlog. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van april 1921 hadden de daensisten de volstrekte meerderheid behaald en ze schoven hun voorman Boriau naar voren als toekomstige burgemeester. Maar de minister weigerde een daensist tot burgemeester te benoemen, wat tot heel wat ongenoegen en herrie heeft geleid. Na zijn dood volgde Louis De Bruyn hem op, maar ook hij bleef waarnemend burgemeester.


De daensisten sloten zich echter niet op in hun partij. Als het er op aankwam om een bepaald sociaal programmapunt te realiseren, een sociaal programmapunt waar ook socialisten en progressieve liberalen achter stonden, sloegen ze de handen in elkaar en werkten ze samen. De partij was geen doel en ook geen weg naar promotie, het was enkel een middel in de strijd voor rechtvaardigheid.


Denderleeuw is ook interessant omdat het ons leert dat niet alle priesters tegen Daens waren. En dan denk ik aan Frans De Wolf die van 1905 tot 1919 onderpastoor was in Denderleeuw. Hij werd naar hier gestuurd om de daensisten te bestrijden, maar hij voelde zich niet de alwetende die vanaf de preekstoel de daensisten verketterde, die dacht dat hij alleen de waarheid in pacht had en geen tegenspraak duldde. Hij ging met de daensisten praten, aanvankelijk met de bedoeling ze terug te brengen naar de katholieke schaapsstal. Maar toen hij hun miserie beter leerde kennen, hun gedachtegoed en hun werking, werd hij zelf daensist. Het werd hem in het bisdom niet in dank afgenomen.


Denderleeuw heeft weliswaar geen figuur gekend die naam heeft gemaakt over heel Vlaanderen zoals de gebroeders Daens uit Aalst of Aloïs De Backer uit Denderhoutem die allemaal als volksvertegenwoordiger in het Belgische Parlement zijn gekomen. In geschiedschrijving raken de mindere goden na zekere tijd wat in de vergeethoek. Mee daarom vind ik het belangrijk dat er in Denderleeuw een daensistische activiteit wordt georganiseerd. Om de verdienstelijke mensen uit deze streek opnieuw onder de aandacht te brengen.


Niet alleen als historische figuren, maar vooral omdat ze nog een boodschap hebben en een betekenis voor de mensen van vandaag.


Over heel Vlaanderen zijn er nu nog duizenden mensen die zich heel bewust daensist noemen. Sommigen omdat hun voorouders daensist waren, maar de meesten hebben in het verleden helemaal geen voeling met Daens en zijn medestrijders; hun ouders of grootouders hebben Daens zelfs bestreden. Toch noemen ze zich daensist, omdat ze in het optreden en het gedachtegoed van Daens een leidraad vinden, een bron van inspiratie voor hun doen en denken nu.


Nu is het niet mogelijk om het inspirerend werk van Daens onvertaald over te brengen naar een politiek en sociaal programma van nu. Er is heel wat veranderd ten goede sedert de tijd van Daens. In ons rijke westen zijn er sociale wetten gekomen, is er geen kinderarbeid meer. Maar ook nu nog is er, net als in de tijd van Daens, armoede en sociaal onrecht. Niet alleen in de Derde Wereld, in Afrika of Zuid-Amerika; ook in het Vlaanderen van nu dat tot de meest voorspoedige regio’s van de wereld behoort.


Meer dan tien procent van de mensen hier leven onder de armoedegrens. En hun aantal stijgt nog. Ze kunnen nauwelijks opdraaien voor de kosten van huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs voor de kinderen. De koopkracht van de lage inkomens neemt af en de kloof tussen arm en rijk wordt groter. In het bedrijfsleven wegen economische belangen nog altijd zwaarder door dan politieke en sociale belangen.


Wij kunnen niet allemaal een priester Daens zijn en vooraan op de barricaden staan in de strijd tegen sociaal onrecht. Maar een daensist sluit zijn ogen niet voor het onrecht, hij gaat niet aan de kantlijn staan. In de mate van zijn mogelijkheden zet hij zich in om onrecht en armoede te bestrijden. Hij zal het onrecht in de publieke sfeer brengen en erop wijzen dat andere maatschappelijke keuzes mogelijk zijn. Er is nood aan een doelgerichte hulpverlening.


Daens begreep ook dat er meer nodig is dan materiële hulp om aan de mensen zelfrespect  te geven. Ze moeten zich thuis voelen in de gemeenschap temidden van de mensen rondom hen. Daens was geen flamingant in de enge betekenis van het woord. Maar hij koos partij voor de gewone mensen die Vlaams spraken, voor de mensen waarvoor de verfranste burgerij en adel de neus ophaalden. Daens maakte hen duidelijk dat ze niet minderwaardig waren omdat ze Vlaams spraken en Vlaming waren. Vlaams en sociaal was voor Daens een en hetzelfde. Hij was Vlaams omdat hij sociaal was.


Het is op dit ogenblik nog niet duidelijk welke staatsvorm Vlaanderen zal krijgen in de loop van de 21e eeuw. Krijgt het meer bevoegdheden in een Belgische bondstaat, wordt het een onafhankelijke staat of wordt het een deel van een groter geheel. Maar voor een daensist moet het in elk geval een sociaal Vlaanderen zijn.


Een daensviering is meer dan een nostalgisch herdenken van gebeurtenissen en personen uit het verleden. Het is ook een moment van meditatie en bezinning over de wereld van vandaag; een vernieuwd engagement in de strijd tegen onrecht en in de strijd voor een rechtvaardige wereld. De kern van het denken en engagement van priester Daens heeft niets van zijn waarde en actualiteit verloren. Als daensist moeten we ons inspannen opdat de rijkdommen van de aarde eerlijke verdeeld worden; moeten we streven naar een wereld van rechtvaardigheid, een wereld waarin er plaats is voor iedereen en waarin iedereen zich kan thuisvoelen, zich vrij en gelukkig kan voelen. Priester Daens en de daensisten van Denderleeuw wijzen ons de weg.

 

Frans VAN CAMPENHOUT